© De Telegraaf 25 februari 2007
Regeringsbrood
 
       Waarom werd er na de Tweede Wereldoorlog ’regeringsbrood’ verkocht en hoe kwam het aan die naam?
       
A. Plantinga
       

Het regeringsbrood stamt uit de Eerste Wereldoorlog. Nederland was neutraal, maar er was wel voedselschaarste. Zo was er een tekort aan tarwe en kregen de bakkers steeds minder en slechter meel en gist. Het kabinet-Cort van der Linden besloot in 1916 onder minister Folkert Posthuma (Voedseldistributie) dat brood op de bon moest.
       Door het tekort aan grondstoffen werd ook de samenstelling veranderd. Zo werd het brood vooral van roggemeel, aardappelmeel en peulvruchtenmeel gemaakt. Het was zwaarder, anders van kleur en smaakte zuur en klef. In de Eerste Wereldoorlog was ook vlees op de bon (eenheidsworst) en koek (volksbiscuit).
       In de Tweede Wereldoorlog gingen heel veel eerste levensbehoeften op de bon. Bovendien werden de ingrediŽnten vervangen door surrogaten. Uiteraard het brood, maar ook tabak (bukshag), kleizeep, koffie van granen en cichorei en schoenen van karton.

 


 

       Ook na de Tweede Wereldoorlog werd het regeringsbrood door bakkers verkocht. Het was toen beter van kwaliteit, maar goedkoper en uitsluitend in de kleuren wit en bruin. Dit heeft tot in de late jaren vijftig van de vorige eeuw geduurd.
       Overigens werd de pro-Duitse minister Posthuma in 1943 in zijn woning in Vorden door verzetsstrijder Jan Verleun geliquideerd. Zijn naam leeft nog voort in Posthumacake, het regeringsbrood uit de Eerste Wereldoorlog.
       

Emile Bode

 TERUG NAAR NIEUWS