(het regimentsblad van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene en het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene)

De 117 Doden bij Woeste Hoeve
door W. Beens, naar een artikel uit de Vaandeldrager.

8 maart 1945, de geallieerde legers, waaronder onze Prinses Irenebrigade, waren nog bezig met de laatste stormloop om het nog door de Duitsers bezette deel van Nederland van een ondraaglijk juk te bevrijden, toen bij Woeste Hoeve, gemeente Apeldoorn, de grootste massafusillade uit de jaren 1940/1945 in ons land plaats vond.

Een onbeschrijflijk bloedbad werd daar in de vroege morgen van die dag aangericht. Op verzoek van de redacteur van uw blad 'de Vaandeldrager', ben ik bereid in een wat verkorte vorm daarover een artikel te schrijven.
Voor hen die op de Veluwe wat minder bekend zijn: Woeste Hoeve is een zeer klein buurtschap aan de weg van Apeldoorn naar Arnhem en wel dicht bij de gemeentelijke grenzen. De wegsituatie is een aantal jaren geleden gewijzigd maar in die donkere jaren lag de herberg 'De Woeste Hoeve' aan de weg die beide plaatsen met elkaar verbond.
 
Wat ging er aan die verschrikkelijke moordpartij vooraf?

De aanslag
De illegaliteit kampte in ernstige mate met transportproblemen hetgeen op de avond van 6 maart 1945 acuut werd. Men was namelijk 'getipt' dat de volgende avond 3000 kg. varkensvlees bij een exportslagerij te Epe door de Duitsers met een vrachtauto zou worden afgehaald. De partij vlees was bestemd voor het Duitse leger. Men besloot die vracht vlees in bezit te krijgen: voedsel was hard nodig. Er waren veel onderduikers en de rest zou clandestien gedistribueerd kunnen worden onder de hongerige bevolking. Alleen: hoe vervoer je zo'n vracht ? Zes leden van de illegaliteit zouden het karwei klaren. Er werd een plan bedacht om gekleed in Duitse uniformen en met een Duitse vrachtauto, voordat de Duitsers bij de slagerij zouden arriveren, daar te verschijnen, simpelweg het vlees in te laden en weg te rijden. Maar hoe kom je in het bezit van een Duitse vrachtauto ?
 
De groep (de namen laat ik achterwege) vertrok die avond omstreeks kwart voor tien per fiets vanuit een bakkerswinkel in Apeldoorn-Noord in de richting van Woeste Hoeve, een afstand van ongeveer 15 km. Men had een locatie uitgekozen, een paar honderd meter voorbij de herberg met die naam. Het oorlogsfront lag in die tijd dicht bij Arnhem en de kans was groot dat daar een Duitse vrachtauto voorbij zou komen.

De zes mannen behoorden tot de G.G. Groep, afgeleid van de naam van de leider. Zij knapten vaak de gevaarlijkste en moeilijkste opdrachten op. Twee van de zes waren gedeserteerde ex-S.S.-ers, Oostenrijkers van geboorte. Het waren geoefende militairen die bovendien natuurlijk goed Duits spraken, wat vaak goed van pas was gekomen. Vijf man van de groep waren gekleed in S.S.-uniformen en de zesde droeg zijn dagelijks uniform van de Koninklijke Marechaussee. Ieder van hen was bewapend met een stengun, terwijl de commandant daarnaast ook nog een Walther-pistool bij zich had. Nog in de bebouwde kom van Apeldoorn, werden zij aangehouden door een lid van de Luftschutzwacht. Hoewel het niet zo gemakkelijk ging, snauwde één der ex-S.S.-ers de man zodanig af dat hij min of meer verbluft achterbleef.6 km. verder, in Beekbergen, voerde het zestal een proefcontrole uit op een Nederlandse vrachtauto. Die controle verliep perfect en sterkte hun zelfvertrouwen. Ter plaatse gekomen, verstopten zij hun fietsen in de dichtbegroeide bosrand, stelden hun wapens op scherp en wachtten af. Het was toen bijna elf uur. Al spoedig hoorden zij een auto naderen maar aan het motorgeluid was te horen dat het geen vrachtauto was. Dit herhaalde zich enkele keren met auto's in beide richtingen. Op dat late avonduur was er weinig verkeer en de minuten tikten weg onder grote spanning.

Auto RauterNu even naar Didam. Daar vertrok die avond, ongeveer op hetzelfde tijdstip dat de groep per fiets vanuit Apeldoorn vertrok, een grijsgroene B.M.W.-personenauto cabriolet, waarin de Hogere S.S. und Polizeiführer Hanns Albin Rauter, zijn chauffeur en de Oberleutnant Exner zaten. Rauter, een zeer gevreesd persoon, voerde het bevel over alle Duitse politie-eenheden in ons land. Ook de Nederlandse politie viel onder zijn bevel. Rauter zat voorin, naast de chauffeur. Via Zevenaar en Arnhem reden zij richting Apeldoorn. De auto voerde verduisteringslicht en slechts enkele meters van de weg ervoor waren goed zichtbaar.Plotseling flitste een wit licht op en, starend in het duister, zag Rauter twee geüniformeerde mannen staan. Dat kwam hem vreemd voor omdat hij twee weken daarvoor, in overleg met de Duitse legerleiding, had bepaald dat in bezet Nederland buiten de bebouwde kom geen verkeer mocht worden gecontroleerd.

Auto RauterWie flitste met het witte licht ? Het was één van de ex-S.S.-ers die op die manier een stopteken gaf aan de chauffeur van de auto. De verrassing voor de groep was groot. Geen vrachtauto, maar een grote B.M.W. met open dak en inzittenden in Duitse uniformen. Dat was niet de bedoeling maar het feit lag er en er moest snel gehandeld worden. Rauter, die de zaak wantrouwde, greep naar zijn machinepistool en gaf Exner, die ook zo'n wapen bij zich had, opdracht voor rugdekking te zorgen. Het voert te ver om alles te omschrijven wat zich in enkele seconden heeft voorgedaan. De groep zag wel, niet wetend dat Rauter één der inzittenden was, dat de Duitsers zich niet zo maar zouden overgeven, maar het wilden uitvechten. De commandant van de groep sprong op de motorkap en gaf een vuurstoot door de voorruit. Vervolgens kwam de auto onder een waar kruisvuur te liggen. Daarna bewoog daarin niets meer. Later bleek dat er 234 patronen waren gebruikt en dat de auto 70 kogelgaten telde. Bij de groep was niemand gewond, ook niet zij die zich aan de voorzijde van de auto bevonden.

Rauter

Rauter

Oberleutnant Exner was doorzeefd met kogels, de chauffeur dodelijk achter zijn rechteroor getroffen. Rauter leefde echter nog. Hij was zwaargewond door een kaakschot, twee longschoten en geraakt in zijn dijbeen en rechterhand. De groep waagde zich echter tot tweemaal toe bij de auto. Zij waren overtuigd dat alle inzittenden dood waren. Ongeveer vijf uur later werd de auto met de drie inzittenden gevonden door een Duitse patrouille, op weg naar de Harskamp. Vanuit herberg 'De Woeste Hoeve' werd telefonisch in Apeldoorn alarm geslagen. Per ambulance werd Rauter ernstig gewond, verzwakt door bloedverlies en verkleumd door de kou, overgebracht naar een reservehospitaal in Apeldoorn. Op 1 april werd hij van daaruit voor verdere medische behandeling naar Groningen vervoerd. Een aanslag op hem was dus niet de bedoeling geweest. De wraak zou echter vreselijk zijn...

De executie Op 8 maart 1945, rond acht uur in de morgen, werden nabij de plaats van 'de aanslag' 117 personen met bussen en vrachtwagens aangevoerd. Zij kwamen als gevangenen vanuit de Willem III-kazerne te Apeldoorn en uit gevangenissen in Assen, Almelo, Zwolle, Doetinchem en Colmschate. Vanaf de uitstapplaats ging het groepsgewijs te voet naar de fusilladeplaats, een afstand van ongeveer 400 m. Het waren groepen van 25 man (er wordt ook gesproken van 20 man) en een groep van 17 man. Ongeveer bij de plaats van de aanslag stond een ongeveer 50 man sterk vuurpeloton van de Grüne Polizei opgesteld. De commandant las de reden van de executies voor. Een bekende Nederlandse S.D.-er vertaalde het.

Volgens een korte weergave in boek 10 B van dr. L. de Jong zou door de commandant vooraf aan de leden van het vuurpeloton de vraag gesteld zijn of zij wel wisten welke verantwoordelijkheid zij op zich namen. Eén van de leden van het peloton - een Oberwachtmeister van de Ordnungspolizei uit Apeldoorn - naam onbekend - zou toen geweigerd hebben om aan de executies deel te nemen. Een vuurpeloton op verantwoordelijkheid wijzen, het komt mij ongeloofwaardig voor. Het was in die tijd toch altijd: 'Befehl is befehl' ? Eén van 'de doodskandidaten' heeft nog getracht te vluchten: het lukte hem niet. Hij werd ook doodgeschoten. Om 8.30 u. lagen er 117 doden bij elkaar. Bij die lijken werd een bordje geplaatst met het opschrift 'Zo doen wij met terroristen'.

Passerende fietsers moesten afstappen en langs de doden lopen. Oud-collega's van mij, rechercheurs van de Apeldoornse politie, arriveerden die middag om twee uur ter plaatse. Ze sneden de touwen door waarmee de slachtoffers waren gebonden en begonnen met de identificatie. Toen ongeveer 30 doden waren geïdentificeerd, gaven de Duitsers het bevel met dat werk te stoppen. De 117 doden werden met vrachtauto's vervoerd naar de begraafplaats Heidehof in Apeldoorn en daar in een inmiddels gedolven massagraf begraven. De 117 behoorden tot het totale aantal van 263 personen die die dag als wraak voor de aanslag om het leven werden gebracht.

Het waren er 38 in Den Haag (waaronder een jongen van 15 jaar), 6 in Utrecht, 53 in Amsterdam en 49 in Amersfoort. Een nog in leven zijnde goede vriend van mij was chauffeur op één van de vrachtwagens. De aanblikken van die middag zijn onuitwisbaar in zijn geheugen gegrift. In de spiegel van de door hem bestuurde auto kon hij gezichten en met schoenen en klompen geschoeide voeten zien. Een dochter van de herbergier van 'De Woeste Hoeve' - voorzover mij bekend leeft ook zij nog - heeft van hetgeen zij in de avond/nacht van de aanslag en hetgeen zij in de morgen van de fusillade heeft gezien vanuit een dakraam, een verslag gemaakt. Na de bevrijding kreeg ik van een familielid van haar een afschrift daarvan.
 
Begin 1947 kwam ik vanuit de Koninklijke Marechaussee bij de Apeldoornse politie, waar ik het overgrote deel van mijn diensttijd heb doorgebracht bij de afdeling recherche. In de jaren 1954/1956 gestationeerd op de politiepost in Beekbergen, kwam ik ook in contact met bewoners van het buurtschap Woeste Hoeve. In mijn recherchejaren had ik vrijwel dagelijks contact met oudere collega's die de donkere oorlogsjaren hadden meegemaakt en die kort na de fusillade ter plaatse waren geweest. Eén van hen is nog in leven. Hij maakte, in opdracht van de Duitsers, in de morgen na de aanslag een serie foto's bij Woeste Hoeve.

Op 25 april 1945, toen de Duitsers verdreven waren, fotografeerde hij eveneens de opening van het massagraf. Het is hem te danken dat die serie bewaard is gebleven. De foto's zijn schokkend om te zien. Door mijn intense belangstelling voor hetgeen zich bij Woeste Hoeve op 6 en 8 maart 1945 heeft afgespeeld en de 'verhalen' die daarom heen later zijn ontstaan heb ik in de loop der jaren tijdens gesprekken daarover zeer veel vragen op die collega's afgevuurd. Zij hebben mij ook veel verteld. Na de opgraving zijn de doden herbegraven in plaatsen van herkomst, een aantal op Heidehof en in latere jaren ook op de Erebegraafplaats in Loenen, gemeente Apeldoorn. De eerste opgegravene was een opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee uit Drente, 36 jaar oud en vader van acht kinderen.

115 van de 117 doden konden worden geïdentificeerd, bij 2 is dat tot heden nimmer gelukt. Zij liggen als onbekende doden op het Ereveld in Loenen begraven. Hoe is het mogelijk ? Zij hebben toch een vader en een moeder en mogelijk verdere familie ! Het onbekend blijven van die twee knaagde en knaagt nog aan mij. Vanaf de vijftiger jaren ben ik bezig om achter hun identiteit te komen. Stapels brieven verstuurde ik naar instanties in binnen- en buitenland. Het is mij - tot heden -nimmer gelukt dat raadsel te ontwarren. Ik moet even memoreren dat ik de laatste drie jaar veel samenwerk met de heer H. Berends uit Apeldoorn die, hoewel hij niet bewust de jaren 1940/1945 heeft meegemaakt, een onvoorstelbaar groot doorzettingsvermogen en enorme speurzin bezit. Ik heb daar grote bewondering voor en het is aan hem te danken dat van 114 geïdentificeerden de reden van hun gevangenschap en andere achtergrondinformatie bekend is geworden. Dat alles heeft hij op een bijzonder duidelijke wijze op schrift gesteld.

56 procent van de doden was jonger dan 34 jaar. Drie waren de dag voor hun sterven jarig geweest; één werd toen 28 jaar en twee 36 jaar. De jongste was een 17-jarige Joodse jongen, genaamd Julius Hoek. De oudste was de 75-jarige Matthijs v.d. Harst. Op het Loenense Ereveld liggen die oudste en jongste zeer dicht bij elkaar begraven. De 115-de geïdentificeerde had een Duits klinkende naam en wel Helmut Seyffards. Ook zo'n probleem. Wie was hij ? Onvoorstelbaar veel navraag en onderzoek heb ik in de loop der jaren verricht om nabestaanden van hem op te sporen. Het is tot op heden niet gelukt. Zijn eventuele nabestaanden hebben tot nu toe niet geweten dat hij in Apeldoorn begraven ligt. Van deze plm. 30-jarige Seyffards zijn ons wel andere gegevens bekend geworden.

Vanaf 1945 tot heden toe, circuleert het al eerder reeds omschreven schijnbaar onuitroeibare 'gerucht' dat een lid van het vuurpeloton geweigerd had deel te nemen aan de executies. Later ontstond de aanvulling dat die man door zijn commandant tussen de 'doodskandidaten' was geplaatst en gelijktijdig met hen was gefusilleerd. Nooit heb ik iemand gesproken die een in Duits uniform gestoken dode tussen al die lijken heeft zien liggen. Toch wordt nog steeds in bladen en boeken vermeld dat die 'weigeraar' Helmut Seyffards is geweest. Bewijsbaar is dat hij dat niet is.

Enkele jaren geleden kreeg ik een 'spoortje' in handen dat leidde naar een groot dorp in de Gelderse Achterhoek. De eerste stappen op dat 'lijntje' zette ik samen met mijn vrouw. In de landelijke omgeving van dat dorp spraken wij met twee bejaarde landbouwers, broers van elkaar. Zij hadden de laatste maanden van de oorlog gevangen gezeten in de gevangenis de Kruisberg bij Doetinchem wegens het verbergen van een jonge gedeserteerde militair van de Duitse luchtmacht. Op een ander adres is die soldaat gepakt en doodgeschoten. Deze twee mannen waren medegevangenen geweest van Helmut Seyffards en zij wisten veel over hem te vertellen. Seyffards was zeer zwijgzaam en uit spaarzame gezegden van hem kon worden opgemaakt dat hij uit Polen kwam. Samen met de heer Berends is één en ander verder uitgewerkt en is een volgend gesprek met deze landbouwers op film vastgelegd. Seyffards zat al voor december 1944 in de Kruisberg gevangen. De broers wisten zelfs de kleding van Seyffards te noemen, hetgeen grotendeels overeenkomt met de kleding die hij droeg toen hij uit het massagraf werd opgegraven.

Het staat vast dat Helmut Seyffards een gevangene van de Duitsers was en dat hij tot het vuurpeloton zou hebben behoord is een fabel. Hij ligt begraven op Heidehof in grafno. 1036. Is er wel een mogelijke weigeraar doodgeschoten? Ik heb in al die jaren, ondanks intensief onderzoek het bewijs niet kunnen vinden en zet er dan ook een groot vraagteken bij.
 
Rauter herstelde van zijn verwondingen. Op 11 mei 1945 werd hij door de Britse Militaire Politie in een hospitaal in Duitsland gearresteerd. Tijdens zijn gevangenschap heeft hij nog beentransplantaties op zijn verminkte kaak ondergaan. 6 februari 1946 werd hij overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Na een tegen hem gevoerd proces, werd hij op 4 mei 1948 ter dood veroordeeld. Hij tekende beroep aan bij de bijzonder raad van cassatie. Door die raad werd het vonnis bevestigd op 12 januari 1949. Gratieverzoeken - niet van Rauter zelf - werden afgewezen en op 25 maart 1949 werd hij ongeblindoekt in de duinen bij Scheveningen door een Nederlands vuurpeloton gefusilleerd. Hij was toen 54 jaar oud, 9 jaar getrouwd en vader van drie kinderen.
 
De 117 doden van Woeste Hoeve hebben een aanwijsbaar graf. Rauter niet, want bij navraag werd mij bekend dat zijn graf een staatsgeheim is. Dit was het relaas van de tragedie bij Woeste Hoeve. Voor hen die de jaren 1940/1945 bewust hebben meegemaakt in Nederland, maar ook voor onze oud-militairen van de Prinses Irenebrigade zijn het onvergetelijke jaren. Het leed van toen is te groot geweest om te vergeten. Veel wonden zijn geheeld maar grafstenen en gedenktekens wijzen als littekens terug naar die tijd. Zo zette ik de klok even terug naar die 8ste maart 1945. In de aanhef van dit artikel noemde ik de Prinses Irenebrigade en hiermee wil ik ook besluiten.
 
Toen wij in bezet Nederland zuchtten onder 's vijands zware druk van wegvoeringen, vervolgingen, arrestaties, fusilleringen, martelingen, Silbertanne moorden en honger, wat leek Engeland en de Irenebrigade toen ver weg ! Toch werd er over jullie gesproken. Ondanks onze scheiding wisten wij dat daar aan de overkant van de Noordzee gedacht, getraind en gewerkt werd om ons te bevrijden.
 
Jullie doden kunnen het niet meer horen, maar tot hen die nog in leven zijn zeg ik het ook nu nog na ruim 47 jaren van vrijheid: Mannen van onze onvergetelijke Prinses Irenebrigade, dank, duizendmaal dank dat jullie met inzet van jullie leven zo voor onze vrijheid hebt gevochten.
 
W. Beens
Boerhavestraat 5
7316 JA Apeldoorn
Apeldoorn      
                           
                  

 TERUG NAAR HISTORIE

 TERUG NAAR ORANJEHOTEL