site stats

Aan mijn brief aan U heb ik enkele copieën van authentieke documenten toegevoegd t.w.
Veroordeling door Munt 9/3-1945 + achterzijde.
Procesverbaal van G.W. Valken 8 Oct. 1945 + aanvulling 27 Oct. 1947.
Uitleg over de aantekeningen op het document Munt, (door mij AdJ).
Deze copieën wilde ik U direct ter hand stellen, omdat zij in essentie weergeven wat er 7 -/- 8 maart 1945 heeft plaatsgevonden, weergegeven door de betreffende personen zelf.

Aansluitend volgt hier mijn motivatie waarom, ik leg U eerst voor de eindbeschouwing, ofschoon deze na het onderzoek thuis hoort, dit om aan te geven waarom ik dit uitgebreide onderzoek wenste uit te voeren.

Eindbeschouwing, "Het resultaat", helaas heb ik moeten constateren. Een overheid, die de nabestaanden volledig in het ongewisse heeft gelaten, die de moordenaar van 11 onschuldigen zonder berechting "onvoorwaardelijk buitenvervolging stelt " en vrijlaat, Procureur-Fiscaal Mr. J. Zaaier, die toestaat, dat deze oorlogsmisdadiger J.H.L. Munt van de lijst UNWCC van oorlogsmisdadigers is verwijderd, en hiermede ook zijn berechting in Duitsland onmogelijk maakte, ondanks het feit, dat Hoge gezagdragers als, feitelijk de hoogste ambtenaar in Nederland Secretaris-Generaal Mr. J. Tenkink Departement van Justitie, Procureur-Generaal Mr. J. Versteeg van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, op de hoogte waren, althans konden zijn, middels rapportages en processen-verbaal t.b.v. de Ned. UNWCC afdeling, geleid door Mr. dr. M.W. Mouton en het p.v. van Hoofdcommissaris G.W. Valken, 8/10 1945 plus aanvulling 27/10 1947.
De 11 slachtoffers werden volkomen terzijde geschoven en hierdoor kon het onstaan, dat zij in 2004 nog steeds ten onrechte gezien worden als zijnde " Plunderaars en Misdadigers".
Een Hoofdcommissaris G.W. Valken van 's-Gravenhage rapporteerde in zijn p.v. 8 october 1945 uitvoerig wat er had plaatsgevonden, zijn ondergeschikten, de Inspecteurs K. van der Ham en H.J. Teseling deden onderzoek en vermeldden het resultaat op het document Munt 9 maart 1945.
Hiervoor was echter geen belangstelling meer, zeker niet na de vrijgave van dader Munt 1948.
Plunderaars en misdadiger blijven dit, ook al zijn zij onschuldig, deze nalatigheid is te danken aan overheidsdienaren, die hun taak nalieten voor Nederlandse burgers op te komen, waartoe zij eigenlijk gehouden zijn als overheidsjuristen.

De nalatigheid van de overheidsdienaren hebben hiermede de weg vrijgemaakt voor een weliswaar onbedoeld vervolg. In 1995 wordt een wetenschappelijk onderzoek publiek, " ter verkrijging van de graad van Doctor aan de Rijksuniversiteit te Leiden ". De dissertatie, " Den Haag in de Tweede Wereldoorlog " door Dr. Bart Erik van der Boom.
In dit proefschrift worden mijn Vader en zijn 10 medeslachtoffers, door de "SD-er Munt ter dood veroordeeld ", beschreven als " Plunderaars en Misdadigers", op generlei wijze is door de promovendus er op gewezen, dat zij mogelijk onschuldige waren, als bron 52 vermeldt hij commissaris Valken.
Commissaris G.W. Valken laat echter in de bronstukken een geheel andere visie zien. In deel 10b van Dr. L de Jong over de Tweede Wereldoorlog blz. 444 laat ook Dr. de Jong doorschemeren de mogelijke onschuld van de 11 slachtoffers. Bart. E. van der Boom vindt echter, zonder dit ooit onderzocht te hebben, dat hij zijn bron op eigen titel anders kan doen zijn dan de werkelijkheid door Commissaris Valken opgetekend.
De 11 slachtoffers zijn tegelijk met 27 verzetsstrijders door de SD-er Munt aangewezen en gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte, als represaille voor de z.g. aanslag op Rauter.
Ter zijde van de vier gedenkkruizen is op de Waalsdorpervlakte een eenvoudige gedenksteen geplaatst met de volgende tekst:


H
IER BRACHTEN

VELE LANDGENOTEN

HET OFFER VAN HUN LEVEN

VOOR UW VRIJHEID

De promovendus Bart E. van der Boom heeft in vrijheid kunnen studeren en promoveren, deze vrijheid is hem geschonken doordat de overheid dit financieel mogelijk heeft gemaakt. Deze financiën heeft de overheid verkregen van burgers, die vrijheid en vooruitgang een voorwaarde achten. Een vrijheid, die Bart E. van der Boom met voeten heeft getreden, door onschuldigen als Plunderaars en Misdadigers vast te leggen in een z.g. wetenschappelijk onderzoek, een onderzoek, dat niet heeft plaatsgevonden. Een beschamende vertoning. Een wetenschappelijk onderzoek onwaardig, vooral als onderschatting en of desinteresse gepaard gaat met onvoldoende inleving in de bronnen die ter beschikking staan.
Zeggen doe ik dit niet zomaar, een stad als Den Haag verdient een betere geschiedschrijving over deze moeilijke oorlogsperiode, op diverse plaatsen in de dissertatie van BvdB. kwam ik voorvallen tegen met bronvermelding, waarvan ik deze bronnen in mijn bezit heb, ook daarin trof ik tegenstellingen aan met de verwoordingen die BvdB. toepaste. Stellingnamen die soms tegengesteld waren aan hetgeen in de bronnen werd vermeld. Ook deze bezwaren werden door BvdB. terzijde geschoven, als niet ter zake doende. Dit en het onderzoek naar de 11 slachtoffers, waaronder mijn Vader, hebben mij doen besluiten het zeer diepgaand te onderzoeken en alle ter zake zijnde bewijsdocumenten ter tafel te brengen.
Zoals U zult ervaren uit onderstaand onderzoek in drie delen voorzien van de bijbehorende archiefstukken.

De overheid roept alle inwoners van ons Land sinds enkele jaren op te herdenken. Voor mij is het sinds enkele jaren HERDENKEN met een nare bijsmaak, als ik jaarlijks "de klanken van de Bombardon hoor luiden over de Waalsdorpervlakte".
Hopen doe ik dan ook, dat mijn onderzoek zal bijdragen tot de rehabilitatie van de 11 z.g. plunderaars en misdadigers, zodat nabestaanden met recht 5 mei kunnen vieren.

Onderzoekrapport + bijlagen,
Hoofdcommissaris G.W. Valken contra de SD-er J.H.L. Munt - maart 1945 - Den Haag.

Hoorn, 2003 / 2004
A. de Jonge

HONGERWINTER MAART 1945

Bittere kou noodzaakte de mensen, om alles wat enigszins verlichting geven kon, tot voor in normale tijden desastreuse maatregelen, bomen langs straten en grachten, eerst ontdaan van hun kruinen en stammen, later zeer moeizaam ook de de wortels en alles wat er bij hoorde, vervolgens de vloeren en deuren van de woningen. Dit alles om met een soort opzetkacheltje nog enigszins voedsel te kunnen koken en of wat warmte te kunnen krijgen.
Nog jaren stond het kacheltje op onze zolder, je weet maar nooit!!!
Voedsel in welke vorm ook, zeer moeizaam dan wel bijna niet te verkrijgen. Mijn Moeder ging zoals zo velen vanuit Den Haag op de fiets naar de polders, zij ging zelfs door naar Bunschoten Spakenburg enz. enz. om paling te halen, zodat dat weer omgeruild kon worden tegen ander voedsel en of iets brandbaars. Velen in de steden overleefden dit voedsel en brandstoftekort niet.
Hoe was dit ontstaan, de Geallieerden waren bij Normandië de aanval op de Duitsers gestart en na moeizame heroveringen tot aan onze grote rivieren beland. Zuidelijk Nederland werd bevrijd, maar boven de Grote rivieren kon de opmars door de vijand staande gehouden worden middels de ernstige dreigementen westelijk Nederland onder water te zetten, vervolgens werden ook nog de treinen stil gelegd en werden de voedseltransporten volkomen lam gelegd, het westen van Nederland werd afgesneden van voedselaanvoer en in korte tijd deed zich een onvoorstelbare Hongersnood gelden.
Nog desastreuser was de Nazi dreiging om Den Haag totaal te isoleren en volledig van alle energievoorzieningen af te sluiten (water, gas, en electriciteit ), men dorst het niet aan, omdat dan geheel Nederland zich tegen hen zou keren. Terwijl de ramp zich over west Nederland voltrok vond er in Den Haag en omgeving nog een andere ramp plaats.

Vanuit o.a. Den Haag en omgeving werd Londen bestookt met vliegende bommen V1-'s, die weinig effectief waren, deze werden opgevolgd door raketbommen V2-'s met voor die tijd een onvoorstelbare reikwijdte en snelheid en die ook nog mobiel gelanceerd vanuit o.a. het centrum van Den Haag en de directe omgeving.
Deze bedreiging aan Londen moest tot staan gebracht worden. Een groot bombardement op het Benoorden-hout kwartier en het Haagsche bosch, waar de Duitsers hun vesting hadden, moest dit bewerkstelligen.
Helaas een coördinatiefout vaagden het Bezuiden-hout kwartier en een kleiner gedeelte rond de Koninginnegracht totaal van de kaart. Honderden doden, een gehele wijk in de as gelegd, leverden een totale chaos op voor Den Haag.

Dit is de inleiding en het sfeerbeeld wat U als achtergrond dient, voorafgaand op een vervolg van extreem Nazi terreur waarbinnen het volgend drama tevens plaatsvindt.

Tot op dit moment set zich deze onrechtvaardigheid voort,

Elf mensen waaronder mijn Vader worden door de
SD-er J.H.L. Munt SS Hauptsturmführer en
Aussendienststellenleiter SIPO Den Haag

Ter dood veroordeeld en gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte te Scheveningen, op 8 maart 1945. (als represaille voor de z.g. aanslag op SS-er Hanns Albin Rauter 6/7 maart 1945 te Apeldoorn)
Dit op een onterechte beschuldiging dat zij 'plunderaars en misdadigers' waren. Deze beschuldiging werd door Munt misbruikt om zichzelf vrij te pleiten, zodat hij kon aanwenden voor represailles i.p.v. verzetsmensen, misdadigers en plunderaars aan te wijzen, die volgens het standrecht zonder meer terecht gesteld mochten (diende te) worden. En hij Munt, dus niet minder heeft gedaan, dan een zeer goede daad voor Nederland, door Nederland te bevrijden van deze verderfelijke sujetten.

Hoofdinspecteur Valken weigerde zijn medewerking aan Munt, zoals U heeft kunnen lezen in het proces-verbaal Valken contra Munt/Fransen, in Munt's dagboek " Mein Ausschnitt
Sicherheitspolizei in Den Haag " beschrijft hij dat als,

"üngeheüerliche Verantwortüngslosigkeit" en de 11 slachtoffers als "wertlosere"

***********

Met het volgende relaas met bewijsdocumenten zal ik U overtuigen, dat de 11 slachtoffers geen plunderaars en misdadigers waren, maar het tegendeel en dat dit onrecht tot op heden nog steeds niet is rechtgezet.
Hetgeen voor de nabestaanden een onverteerbare nalatenschap is.


3 maart 1945 bombardement Bezuidenhout kwartier Den Haag
.

In Den Haag wordt opgericht een plunderingsdetachement o.l.v. Hoofdinspecteur G.W. Valken, omdat tijdens en na de bombardementen plunderingen plaatsvinden. Door de Haagsche Politie, landwachten, NSB-ers, Veldwachters enz. enz. wordt eenieder die zich in de omgeving van de gebombardeerde wijken ophoudt aangehouden als er volgens de aanhouders geen goede verklaring omtrent de aanwezigheid aldaar is. (overigens de aanhoudingen waren niet alleen omtrent plundering, maar b.v. ook onderduiken enz. enz. enz.).
Vervolgens werden de aangehouden of opgebrachte personen naar de diverse Politieposten gebracht en werd vervolgens door rechercheurs (tevens sub. Officieren van justitie) een globaal onderzoek uitgevoerd.
Indien er niet direct geconstateerd kon worden of de aangebrachte schuldig dan wel onschuldig was aan verwijtbaar gedrag werden zij naar het
Arrestanten lokaal Lyceumplein overgebracht ter nader onderzoek. (heden Louis Couperusplein). Werd er echter op de politiepost reeds vastgesteld, dat de aangehoudene onterecht was aangebracht volgde een directe HEEN ZENDING.

Vanaf nu zal ik de bewijzen van de aanhouding van mijn Vader als rode draad aan U voorleggen en tevens het bewijsmateriaal van zijn tien medeslachtoffers (dit alles met bronvermelding).

5 maart 1945
rapportenboek bureau Buitenhof
8.15 uur Controleur XX brengt aan Andries de Jonge 17 febr. 1917 -/-
11.oo uur overbrenging naar Lyceumplein.
(Opmerkelijk: de vele vermeldingen van Luchtalarm op dit document)

----------------

5 maart 1945
arrestantenregister Lyceumplein
inschrijving in het register, regel 555

-----------------

5 maart 1945
arrestantenboek Lyceumplein.
11.15 uur insluiting van mijn Vader Lyceumplein -/-.

7 maart 1945
18.20 uur onder insp. Leemhuis en een Duitsche politie officier halen A. de Jonge enz . enz. (34 namen) -/- overgebracht naar Scheveningen enz. enz..

Uit het Pvb Hoofdcommissaris G.W. Valken is ondubbelzinnig op te maken, dat de door Munt opgeeiste arrestanten van het Lyceumplein niet door hem zouden worden uitgeleverd, ook niet de eventueel aanwezige processen-verbaal. Met als motivatie, dat zij allen onder Nederlands recht vielen en dat Munt geen enkel recht kon doen gelden op deze arrestanten.
Dat voor het doel, dat Munt voor ogen stond (represaille) geen enkele medewerking verleend zou worden, omdat in het Nederlands recht geen doodstraf mogelijk was en tevens niet bekend was, of de verdachten zich ergens schuldig aangemaakt hadden.
De bij deze bespreking aanwezige Munt en Hoofdcommissaris (NSB. Politiepresident)
W.H. Fransen van Den Haag trachtten vergeefs Valken tot andere gedachten te bewegen, zelfs dreigementen aan het adres van Valken brachten Valken niet van zijn overtuiging.
Ogenschijnlijk zou hiermede deze zaak zijn afgedaan. Totdat het document Munt 9/3-1945 Valken onder ogen kwam met het doodvonnis van de 11 slachtoffers, onmiddellijk verwittigde hij een flink aantal mensen, waaronder de Secretaris-Generaal van Justitie Mr. J. Tenkink, zoals te lezen valt in het P.v. 8 Oct. 1945 van inmiddels Hoofdcommissaris van Den Haag zijnde G.W. Valken en geeft hij de opdracht tot onderzoek aan zijn Inspecteurs K. van der Ham en H.J. Teseling, beiden paraferen het document Munt onderaan rechts.

______________________________________________________________________________

De onderzoeken van inspecteurs van der Ham en Teseling wijzen uit, dat drie slachtoffers niets te verwijten viel en zouden zijn Heengezonden (waaronder mijn Vader), van de acht andere slachtoffers zijn de processen-verbaal alsnog volledig gecompleteerd, mede omdat bij sommige aanhoudingen meerdere personen betrokken waren. Uit deze p.v.'s blijkt, dat de meeste van hen mensen hielpen, die door de bombardementen getroffen waren en trachtten hetgeen nog te redden was elders onder te brengen, dit helpen geschiedde niet alleen uit hulpvaardigheid, men trachtte waar mogelijk met ruilhandel enz. wat bij te verdienen.

Wat werd hen verweten door de aanhouders.

Op alle 9 Pvb is destijds met de hand op de authentieke p.v.'s plundering gewijzigd in "Diefstal bij gelegenheid van oorlogsnood (art. 311, 2e W.v.S."
De Pvb
74 - 87 - 88 - 90 - 92 - 96 - 103 - 135 - 136
.
( het Pvb 88 - P. Aarssen is niet vermeld op het doc. Munt )
In tegenstelling tot wat Munt in zijn veroordeling 9 maart 1945 stelt zijn geen van de slachtoffers bij de politie bekend, laat staan plunderaars en misdadigers.

______________________________________________________________________________

De beschuldiging van Munt stoelde alleen op het feit, dat de verdachten zich op dat moment in het politie arrestanten lokaal Lyceumplein bevonden en hij Munt geen tijd had te onderzoeken of zij ergens aan schuldig waren.

De benoeming van Valken tot de eerste Hoofdcommissaris van Den Haag na de bevrijding heeft op voordracht van het College Vertrouwensmannen o.a. Dr. Drees plaatsgevonden, zoals te lezen valt in Dr. de Jong's standaadwerk deel 10b, dit o.a. mede naar aanleiding van zijn houding t.o.v. SD-er Munt en de NSB-er Fransen 7 maart 1945.
Ook Secretaris-Generaal Mr. J. Tenkink
vond dat Valken in deze juist gehandeld had.

Als nabestaande mag en zou je verwachten, dat dit alles tot enig officieel vervolg zou hebben geleid ! Enig vervolg is er wel, maar nimmer t.a.v. de nabestaanden.

Dat is om zeer onduidelijke redenen totaal uitgebleven, helaas moet ik U zeggen nee, ook in 2004 zijn de elf slachtoffers nog steeds aangemerkt als zijnde Plunderaars en Misdadigers, hetgeen ver bezijden de waarheid is.

6 mei 1945 Munt en vele consorten worden gedetineerd in o.a. de cellenbarakken van de Scheveningse strafgevangenis, er volgen vele verhoren en processen-verbaal waarvan, (van Geffen en Edens afgesloten 16 Mei 1947. (BOOM archief ARA)

108 pagina's groot en 14 uitgebreide bijlagen.
Verdacht van:
"Als Aussendienststelleleiter der Sicherheitspolizei in Den Haag medewerking verlenen tot het fusilleren van 122 personen, --/-- enz."

Hieraan voorafgaand was er reeds een Pvb nr. 72 d.d. 24 april 1946 opgesteld door:
De rechercheurs J. Knol en J. Bijlsma.
Over de represailles naar aanleiding van de z.g. aanslag op Rauter de verdachten:
Munt, Wölk, Kölitz, Gerbig, Lages, Schhöngarth.

Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven (BOOM) 17 Juni 1946, schriftelijk wordt aan latere schout-bij-nacht Mr. Dr. M.W. Mouton te Londen, Hoofd van de Nederlandse tak van het
U.N.W.C.C., verzocht Munt, Wölk, enz. op de lijst van oorlogsmisdadigers geplaatst te krijgen.

Gevolgd door een telexbericht van Mouton met een verzoek om bewijzen van valselijk ter dood veroordeelden.
Dit bewijs wordt geleverd middels een proces-verbaal van H. Edens en P. van Aalst van 10
Oct. 1946, "PRIMA-FACIE BEWIJS" genoemd. Hierin worden 3 van de 23 verdachten die Munt overleefd hebben aangevoerd over wat er in de nacht van 7 naar 8 maart 1945 plaats heeft gevonden.
De SD-er Munt en de NSB-er onderinspecteur Leemhuis halen 34 arrestanten uit het arrestantenlokaal Lyceumplein (zie 7 maart rapportenboek Lyceumplein) en (
Pvb 16 mei 1947 blz. 95), allen worden afgevoerd naar Scheveningen, de cellenbarakken. Omstreeks middernacht start Munt met verhoren, deze duren per persoon maar één tot twee minuten, zijn verhoor is in het Duits en hij beschuldigt allen van plundering of misdaad. Sommige overlevenden maken gewag, dat Munt aantekeningen maakt achter een lijst met namen, kruisjes en of vinkjes, men kon het niet goed zien. De volgende morgen 8 maart 1945 worden 11 van de 34 op aanwijzen van Munt gefusilleerd.
Ook in het Pvb van (Geffen en Edens afgesloten 16 Mei 1947) worden een
9 tal overlevenden (blz. 66 t/m 70) gehoord, ook zij verhalen in dezelfde lijn, een van hen is enkele dagen later in het lokaal Lyceumplein alsnog overleden door ondergane emoties.

______________________________________________________________________________

De NSB onderinspecteur C. Leemhuis is op 22 dec. 1947 tot levenslang gevangenisstraf veroordeeld, in cassatie B.G. 's-Hertogenbosch is dit teruggebracht naar 10 jaren op 23 mei 1950. Mr. J. Zaaier vond, dat Leemhuis de doodstraf verdiende, in 1947 een brief aan de Minister van Justitie.
In deze twee rechtsgangen heeft nooit de betrokkenheid van Leemhuis t.o.v. Munt en de represailles, die deze nam terzake van Rauter, een rol gespeeld.
Leemhuis heeft bij verhoren en in rapporten, door hemzelf opgemaakt, zijn medewerking aan Munt omtrent deze represailles altijd in alle toonaarden beweerd, dat hij hiervan geen kennis had en er ook geen medewerking aan heeft verleend.
Het tegendeel blijkt uit het "rapportenboek Lyceumplein -7 maart 1945 - 18 uur 20". Het was Leemhuis volledig bekend waarvoor deze arrestanten dienden, blijkt uit Pvb en Leemhuis eigen rapporten. zie blz. 42, 16 mei 1947 p.v..

______________________________________________________________________________

Op 25-7-1946 zendt Mouton een telegram, dat de eerder genoemde Duitsers op de lijst van de U.N.W.C.C. zijn geplaatst en dat verdere inlichtingen niet noodzakelijk zijn.

September 1946, U.N.W.C.C. List No. 42, Munt op de lijst geplaatst als "Murder", en op een secretariaatslijst zijn de zaaknummers vermeld betreffende Nederlandse zaken.

3 maart 1948 wordt door Mr. J.S. Bijl (BOOM) een verzoek naar Duitsland gezonden naar "Allied missions camp HQ" om opsporing en overbrenging naar Nederland van o.a. Schmidtman, Paasch, en Dr. K. Majarek, dit zijn de uitvoerders van de executie 8 maart 1945. Ook zij worden op de U.N.W.C.C. lijst geplaatst valt te lezen.

Den Haag 28.6.1948 Cellenbarakken, Munt verzoekt aan het B.G. Den Haag om overleg, omdat eerdere verzoeken tot vrijlating bij H.M. de Koningin en de Minister van Justitie onbeantwoord bleven en hij vond, dat hij geen oorlogsmisdadiger was en op vrijlating rekenen kon. Bij dit overleg wilde hij ook graag, dat hoofdcommissaris Valken aanwezig zou zijn, omdat hij een aantal essentiële zaken kon voorleggen in algemeen Nederlands belang.

De verontwaardiging in Nederland was groot toen in kranten artikelen verschenen dat diverse SS-ers waaronder Munt: "Onvoorwaardelijk Buitenvervolging zijn gesteld door Procureur-Fiscaal J. Zaaijer, 9-10-48"
Munt is op 25 nov. 1948 afgevoerd naar Münsterlager, en in vrijheid gesteld.

Niet alleen het publiek, ook 2e Kamerlid Mr. L.A. Donker is verbijsterd, op 16 febr. 1949 stelt hij vragen aan de Minister van Justitie Wijers, het antwoord van de Minister (in essentie weergegeven) de "Onvoorwaardelijke Buitenvervolgingstelling" had niet plaats mogen vinden. Munt en andere hadden minstens door de rechter moeten worden beoordeeld.
Minister Wijers is na zijn ambtsperiode opgevolgd door Mr. Donker als Minister van Justitie, hetgeen evenwel niet heeft geleid tot een vervolging van Munt en of zijn consorten.

Drie en halve maand later 9 maart 1949,
er komt een telex bericht bij Netherlands Public Safety Authority in The Hague van Public
Safety Special Branch HQ Hamburg, dat Munt weliswaar nog gemeld staat in het Central Register U.N.W.C.C., doch dat hij vervolgens is vrijgesproken door de rechtbank in Holland en naar Duitsland gezonden is.
Men verzoekt of dit juist is, en indien positief bevestigd, dat zij stappen zullen ondernemen om Munt van deze lijst af te voeren.

Den Haag 14 April 1949 via de Directeur Generaal voor de B.I.A.A. Ter Veer is bovenstaand bericht doorgezonden aan Commission in Herford Jhr. Mr. F.A. Groeninx Van Zoelen, met de opmerkingen " Munt werd verdacht van ernstige oorlogsmisdrijven, het Mr. Ter Veer, dat Munt inmiddels weer een belangrijke verzoekt hij de behandeling van deze zaak over te nemen.

10 december 1998 neem ik contact op met het Ressortspakket Amsterdam Mr. P.M. Brilman Landelijk Officier van Justitie Oorlogsmisdrijven.
Deze meldt mij, dat Munt in ieder geval sinds de oprichting van het bureau niet meer gesignaleerd heeft gestaan als oorlogsmisdadiger, alleen is er een klein dossier als vooronderzoek van het Staatsanwaltschaft Hamburg, waarin vermeld de represaille 8 maart 1945, en de verwondering dat Munt in Nederland nooit voor een strafrechter heeft moeten verschijnen.

Wanneer Munt daadwerkelijk van de lijst van oorlogsmisdadigers U.N.W.C.C. is afgevoerd heb ik niet kunnen achterhalen, want het resultaat van de afhandeling van Jhr. Mr. F.A. Groeninx Van Zoelen is ogenschijnlijk niet in de archieven van het Ministerie van Justitie en het Nationaal Archief Den Haag te traceren. Het is zeer aannemelijk, dat dit reeds in zeer vroeg stadium na zijn vrijlating 25-11-48 naar Münsterlager heeft plaats gevonden.

Dit blijkt tevens uit het antwoord 18/11-2003 op mijn vragen aan Oberstaatsanwalt U. Maass Dortmund, hij schrijft mij of Munt daadwerkelijk op de lijst U.N.W.C.C. heeft gestaan dan wel is afgevoerd, niet door hem te achterhalen is, wel is zeker dat er in Duitsland nimmer een vervolging wegens oorlogsmisdaden tegen Munt heeft plaatsgevonden.
Er hebben wel vervolgingsvooronderzoeken in Hamhurg en München plaatsgevonden, deze zijn echter administratief gestaakt zonder dat Munt daar enige kennis van had, dan wel hierover iets heeft vernomen, blijkens de copieën van Mr Brilman. [Munt is op 11 juni 1995 overleden.]

Op 14 juli 1967 maakt het TV. Programma "Achter het Nieuws" bekend, dat er een lijst van 310 Duitsers naar Duitsland was gezonden met het vezoek deze alsnog te vervolgen, wegensde verantwoordelijkheid voor de dood van minstens 1640 Nederlanders tussen aug. 1944 en mei 1945, op deze lijst zou ook o.a. J.H.L. Munt voor zijn gekomen, het Ministerie van Justitie wenste de namen op de lijst destijds niet vrij te geven.

Pijnlijk duidelijk is nu wel, dat uit de gegevens van Oberstaatsanwalt U. Maass en Mr. P.M. Brilman blijkt, dat Munt niet op deze lijst aanwezig was, in ieder geval niet als oorlogsmisdadiger, want als zodanig stond hij in Nerderland en Duitsland niet meer gesignaleerd.

De Nederlandse bevolking en of nabestaanden hebben nooit geweten, dat Munt op onvoorstelbare, onbegrijpelijke en eigenlijk op slinkse wijze van deze U.N.W.C.C. lijst is kunnen worden afgevoerd.

Dit is alleen te zien als een beschamende vertoning door de toenmalige Nederlandse overheid, en een groot nadeel voor nabestaanden van de vele slachtoffers, door Munt's toedoen de dood ingejaagd, zonder dat zij ooit de kans hebben gekregen te weten wat er met de slachtoffers werkelijk heeft plaatsgevonden, hen is dit recht volkomen ontnomen.

______________________________________________________________________________

Op welke wijze dit heeft kunnen plaatsvinden zal ik U voorleggen aan de hand van gegevens uit o.a. Munt's " Tätigkeitsbericht ", de verhouding van een vijftal advocaten en een dominee tot Munt, en de rapporten en notities van de zuiveringscommissie
hogerpolitiepersoneel betreffende hoofdcommissaris G.W. Valken, iets verderop in dit onderzoeksrapport.

______________________________________________________________________________

Pas als Dr. L. de Jong zijn standaardwerk " Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog " deel 10b publiek geworden is, wordt een tipje van de sluier gelicht, blz. 443/444. Weliswaar is in grove lijnen juist weergegeven wat er op 7 -/- 8 maart 1945 heeft plaatsgevonden, er wordt verhaald over een 15 jarige jongen, echter onder de 11 z.g. plunderaars waren als jongste drie 20 jarigen, hieruit blijkt, dat de onderzoekers van Dr. de Jong nooit de processen-verbaal en of de registraties van de arrestantenlokalen enz. onder ogen hebben gehad.

In het Proces-verbaal No 72 d.d. 24 April 1946 van de rechercheurs J. Knol en J. Bijlsma blz. 12 t/m 14 is een nader verhoor van de SD-er Munt opgenomen en ondertekend, hierin geeft Munt volmondig toe dat hij "persoonlijk" verantwoordelijk was voor de dood van de z.g. plunderaars 8 maart 1945 en dat zij nimmer voor een Duitse Rechtbank hebben terechtgestaan, uit de 9 originele Nederlandse Pvb blijkt, dat zij ook voor 8 maart 1945 bij Justitie en politie in Nederland niet bekend waren.

Derhalve is het gewettigd te stellen, dat er door de SD-er Munt, om zichzelf een gunstig alibi te verschaffen tegen een naoorlogse veroordeling, 11 onschuldige burgers op de "Waalsdorpervlakte" vermoord " zijn op 8 maart 1945, naast 27 goede Nederlanders, die door hun verzet tegen tirannie hun leven lieten.

Enkele jaren geleden kreeg ik kontact met de voorzitter en secretaris van het Erepeloton van de Waalsdorpervlakte, de Heren Gaal en Heidt, het Erepeloton zorgt jaarlijks dat de gevallenen van het Nazi regime herdacht worden middels het luiden van de bourdon klok en de erewacht, van oorsprong zijn zij leden van de voormalige Binnenlandse Strijdkrachten, een van hen heeft een onderzoek gedaan naar wie er op de Waalsdorpervlakte het leven verloren.

In zijn onderzoek is niets te vinden van de 11 slachtoffers, het is compleet onbekend, dat zij net als de 27 verzetstrijders gelijktijdig zijn gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte, vanuit het Erepeloton begrijpelijk, echte plunderaars zijn niet echt een Erewacht waard.
Navraag bij vele organisaties en stichtingen, oorlogsmusea enz. levert geen ander beeld, niemand weet ook maar iets van wat toen heeft plaatsgevonden.

Voor een aantal personen kon deze pijnlijke geschiedenis maar beter verborgen blijven, zij hadden er groot persoonlijk belang bij de 11 slachtoffers als plunderaars en misdadigers in stand te houden en dit vervolgens te verzwijgen en verdoezelen.
Doordat de overheid, middels het besluit van Mr. J. Zaaier, Munt onvoorwaardelijk in vrijheid had gesteld heeft er nimmer een gerechtelijk onderzoek plaatsgevonden, hetgeen danook als oorzaak gezien kan worden dat zij tot op heden " Plunderaars en Misdadigers " zijn gebleven.

Uit al het voorgaande moge duidelijk zijn dat zij dit niet waren.

Tot zover de gerechtelijke feiten over de SD-er Munt en de 11 slachtoffers als z.g. plunderaars en misdadigers in officiële en gerechtelijke zin.


Zuiveringscommissie hoger Politiepersoneel

Op 10 januari 1946 start het zuiveringsonderzoek omtrent Gerard Willem Valken, Fungerend Hoofdcommissaris van Politie te 's-Gravenhage.
Onder voorzitterschap van Procureur-Generaal Mr. J. Versteeg.

Mr. Versteeg had in wezen drie petten op:
1e Procureur-Generaal Gerechtshof te 's-Gravenhage.
2e Uit hoofde van zijn functie, fgd. Directeur van politie te 's-Gravenhage.
3e Voorzitter zuiveringscommissie Hoger Politiepersoneel.

Mr. Versteeg en Commissaris Valken lagen elkaar niet zo best om het rustig te verwoorden, aldus medewerkers van het Min. van Justitie tijdens mijn onderzoek aldaar, voor menig jurist was Valken een luis in de pels (omdat hij velen kende via zijn werk voor de illegaliteit), hetgeen hem niet in dank werd afgenomen. Mr. Versteeg wilde Valken maar al te graag vervangen zien.

Dit zijn de voorwaarden waaronder Valkens zuiveringsonderzoek start en plaats vond?
Op 10 januari wordt hij voor het eerst gehoord.

30 nov. 1998 Een letterlijk punt voor punt met weglatingen en doorstrepingen getikt verslag en een copie van het origineel van deze zuiveringsnotities van Mr. Versteeg door mij getikt, leg ik U voor, dit omdat het handschrift van Mr. Versteeg soms nogal lastig te lezen is.

Munt is tijdens deze zuivering tweemaal ver(ge)hoord, beschuldigt Valken ervan, dat hij personen aan de SD heeft uitgeleverd, moet dit echter in een tweede nader verhoor terug nemen, omdat niet Valken doch echter, een aantal NSB politiemensen, personen en processen-verbaal bij de SD-er Munt aanleverden om hun gewillige samenwerking met de SD te bestendigen.
26 febr. 1946 rechercheur Pieter van de Nadort brengt een geheim rapport uit over een verklaring van de SD-er Munt inzake Valken aan Mr. Versteeg.

Valken wordt op 18 april 1946 geconfronteerd met de uitspraken van Munt en voelt zich op grove wijze door de commissie op onheuse wijze in zijn eer en goede naam aangetast.

In een persoonlijk schrijven aan de Voorzitter van 14 mei 1946 geeft hij dat te kennen met de toevoeging van een rapport van hoofdinspecteur Markgraaf en de hoofdbrigadiers van Dien en Schepenaar, die de stellingname van Munt ontkrachten. In zijn brief memoreert Valken ook nog aan zijn houding inzake Munt en de z.g. plunderaars 7 maart 1945.

Wat Valken niet kon weten is, dat er in opdracht van commissievoorzitter Mr. Versteeg een geheim rapport is opgemaakt over wie er in het tijdvak "okt. 1944 en mei 1945" door de Duitsers in 's-Gravenhage en Wassenaar gefusilleerd zijn.

Rapport 30 maart 1946 door rijksrechercheur 1e klasse A. Odding. Ronduit verbijsterend, op wiens instigatie A. Odding dit rapport heeft gemanipuleerd vermag ik niet te zeggen, voor mij is het ook niet mogelijk te achterhalen wie rechercheur Odding was.
De manipulatie zal duidelijk blijken uit het hierna volgend overzicht.

______________________________________________________________________________

Het rapport dateert van 30 maart 1946.
Het 6 bladzijden tellend rapport vermeldt vele namen, laat echter 20 slachtoffers van de represaille van 8 maart 1945 onvermeld. (vermeld zei; dat alle 38 slachtoffers door Munt aangewezen al kort na de massamoord bij de politie met naam en toenaam bekend waren)

Op 22 nov. 1944 is een 15 jarige jongen aan het Spui - Cornelis Th. Groot door toedoen van Munt gefusilleerd wegens plundering. (Niet vermeld op de lijst )

Wel heel confronterend op de lijst staan 6 namen waaronder mijn Vader.

6. M.J. Henkes – 15. A.P. van Oosten – 17. G. Oudshoorn – 18. J. Tromp – 21. A. de Jonge – 22. J. C. Vet, allen voorkomend op de schriftelijke veroordeling door Munt van 9 maart 1945.

Één vergissing is mogelijk, echter een vijfvoudige vergissing wordt bewust gecreëerd, alleen de dood van J. Tromp is gemeld op 8 maart 1945 op de lijst, de vijf anderen op 31 maart 1945 , 23 dagen na hun werkelijke dood, vijf van de elf slachtoffers worden in zijn geheel niet vermeld.

De manipulatie blijkt wel heel duidelijk uit het proces-verbaal 96/45 van A.P. van Oosten. In het bijschrift nr.15 van de lijst over van Oosten, staan, zonder twijfel, uit de PV. gehaalde gegevens verkort weergegeven waarom de aanhouding, ook de politie namen van Walraven en Tijseling worden vermeld, Gefusilleerd op 31 maart 1945 vermeld rechercheur Odding.

Echter in zowel het originele PV. 96/45 gedeeltelijk met de hand geschreven Pvb van Walraven en Tijseling , alsmede in het voor de rechtbank uitgetikte exemplaar staat vermeld overleden 8 maart 1945 gefusilleerd.

De nauwgezetheid waarmee de politie in registers enz. enz. zaken zowat per minuut registreerde, doet sterk vermoeden dat Odding ofwel over veel fantasie beschikte, danwel is het hem geregisseerd.
Zijn rapport is van nagenoeg 1 jaar later, alles was toen al in ruime mate gedocumenteerd en bij de politiediensten bekend.

Ook de toedracht bij mijn Vader A. de Jonge is uit de lucht gegrepen, zoals blijkt uit zijn aanhouding (
zie 5 maart 1945
) en zijn dood 8 maart 1945.

______________________________________________________________________________

Wie of wat rechercheur Odding heeft bewogen zijn rapport dusdanig samen te stellen, kan ik alleen vermoeden.
Het lijkt er sterk op, dat er zo weinig mogelijke voorvallen, die naar de SD-er Munt en zijn opdracht van 8 maart 1945 leiden, zijn opgenomen, zodat zoveel als maar mogelijk is zaken die op andere SD-er's terug te voeren zijn vermeld zijn, dit ten voordele van Munt en zijn beweringen en beschuldigingen.

Hieruit vloeit voort, dat hoofdcommissaris Valken voor zijn verdediging niets heeft aan zijn relaas over de 11 z.g. plunderaars en misdadigers door Munt gefusilleerd, want immers uit het rapport Odding blijkt, dat vijf slachtoffers niet vermeld zijn en vijf anderen op 31 maart 1945 gefusilleerd zijn en derhalve niet zijn terug te voeren op het Pvb van Valken 8 October 1945 over Munt's daden van 7 -/- 8 maart 1945.

Welk belang zou de commissie daarmee kunnen dienen, ogenschijnlijk geen, tenzij men bekend is met het dagboek van de SD-er Munt,

"Mein Ausschnitt Sicherheitspolizei in Den Haag 1942 – 1947"
(Het origineel bevindt zich in het dossier Munt BOOM archief, Nationaal archief Den Haag)

Een met de hand geschreven dagboek, waarin de voorkomende personen in code zijn benoemd.
PRA rechercheur Sanders BNV zette Munt ertoe aan dit te herschrijven, dit wordt het,

"Tätigkeitsbericht des Kriminalkommissars J.H.L. Munt"

een 41 blz. grote opsomming over feiten zoals Munt die wenste te zien. Ook al zijn er vele zaken ten gunste van Munt gekleurd omschreven en nogal sentimenteel naar zich zelf toegeschreven,
(erkend moet worden dat veel voorvallen, uitgebreid en enigszins juist te controleren, zakelijk zijn weergegeven).

Munt hield tot ver in de bezetting zoals hij ze noemde vergaderingen/bijeenkomsten, dit waren volgens hem overleggen waarbij een ieder vrijelijk zijn eigen mening kon geven, echter bovenal zag hij graag "gebildete Leute", mensen van aanzien, advocaten, rechters, doktoren, ingenieurs, tandartsen, bestuurders, enz. enz., besproken werd de dagelijkse terreur toestand van het verzet, door Munt werd dit altijd in samenhang met het uitstekende systeem van het Nationaal Socialisme vertaald.

Wie waren daar veelvuldig aanwezig:
Mr. Ragnhild Stapel, Mr. H. de Boer, Mr. J. van Dal, Prof. Mr. A.L. de Blok, Ds. J.C.J. Kuiper, Veelvuldig aangehaald door Munt, altijd benoemd als zijnde leidende of prominente Nederlandse Verzetsmensen, en vele niet bij naam genoemde, echter altijd van "voornaam aanzien" (Zie bladzijde 15 t/m 17 Tätigkeitbericht).
Je kunt jezelf afvragen wat (leidende?) verzetsmensen beweegt om van SD-er Munt te gaan horen hoe goed het Nationaal Socialisme wel is i.p.v. dit als verzetsmensen juist te bestrijden! Of deden zij zich alleen voor als verzetsstrijders en kwam dit Munt al te goed van pas.

Op blz. 28 A.v. geeft Munt weer: Mr. van Dal vond dat alle plunderaars door Munt mochten worden doodgeschoten. Aktivisten uit de Illegalität, hier doelde Munt op zijn vriendenclubje Mr. Stapel, Mr. J. van Dal, Prof. Mr de Blok, Mr. de Boer en Ds. Kuiper en vele andere gewichtige personen uit dezelfde club, zij dachten in deze gelijkwaardig. In het Tätigkeitsbericht barst het zowat van namen van uiterst gewichtige lieden.

Op blz. 20 A.v. 17/12-1945 komen Mr. van Dal en twee juristen bij Munt op bezoek in de gevangenis, Munt en van Dal krijgen de kans elkaar onder vier ogen te spreken, hier tekent Munt op dat van Dal zegt: "niets meer voor Munt te kunnen doen, indien hij dat wel zou doen, hij zelf in de gevangenis zou belanden"
Mr. van Dal had inmiddels kennelijk bemoeienis met de berechting van Seyss-Inquart in Nürnberg en wenste van Munt hieromtrent nadere gegevens.

Op blz. 23 A.v. Zelfs zuiveringscommissielid commissaris Voordewind dient tegen Valken te getuigen als het aan Munt ligt, hoe Voordewind daar zelf over dacht valt in een schrijven 19 febr. 1947 van Mr. Bijl, Hoofdbureau BOOM, aan de Minister van Justitie, te lezen.

Op blz. 34 A.v. Kan men lezen hoe verheven Munt zichzelf zag, Sanders (BNV) en consorten houden berichten tegen van Munt aan Hare Majestät die Königin zodat de Koningin op dat moment nog steeds geen weet heeft dat: dass ein "Weldoener van 's-Gravenhage" al 15 maanden gevangen zit.

Op blz. 29 A.v. Op het doodschieten van plunderaars kwam ik omdat destijds de Nederlandse volksmening sterk tegen deze Profiteurs van de Nood ageerde.
Dat de nood door Munt zelf en zijn Nazi gespuis is veroorzaakt, is kennelijk bijzaak.
De Nederlandse volksmening bestond echter alleen uit de veel door hem geprezen Aktivisten der Niederländischen Illegalität, advocaten, dominees enz. enz. het inmiddels bekende rijtje van gebildete Leute waar hij zo'n bijzonder goed wederzijds contact mee onderhield.
Echte Getrouwe Nederlanders hadden niet echt behoefte meningen met Munt te delen.


Wie en wat waren de Advocaten en de Ds.

Mr. H. de Boer
Op 3 -/- 10 mei 1945 voor zijn huis doodgeschoten, dader(s) nooit gevonden. Dagboeken, die hij bijhield, blijken kort na zijn dood onvindbaar, had veelvuldig contact met Munt en dit niet alleen op zakelijk gebied, bezocht ook de z.g. Nazi getinte vergaderingen van Munt.

Mr. Ragnhild Stapel
In een verdedigings brief 6 sept.1945 pro Munt komt haar visie over de goede Munt zowat van het papier afdruipen, dat Munt voor 1942 bij de GESTAPO Hamburg zat, valt niet te lezen, wel een geheel eigen interpretatie over de 11 slachtoffers 8 maart 1945. Haar belangstelling in Munt was niet alleen zakelijk, doch ook privé, medeorganisator van
Munt's Nazi getinte bijeenkomsten. Mr. Stapel liet zich na de bevrijding via een rekening betalen voor haar bemiddeling van een verzetsstrijder met Munt, getuigenis H.J. Haarman blz. 10 Pv 16 mei 1947 contra Munt.

Mr. A.J.M. van Dal
Zijn verdediging voor Munt ongedateerd, laat ook weten hoe zeldzaam goed Munt wel was, Mr. van Dal vond dat plunderaars doodgeschoten mochten worden, Tätigkeitsbericht blz. 28. Mr van Dal kon niets meer voor Munt doen zonder zelf in de gevangenis te belanden, 17/12-1945.

Prof.Mr.A.L. de Blok
Lid Nederlandse Unie, propagandist van Volk en Arbeid, maandblad van de Unie, de Unie wenste een nauwere samenwerking met de bezetter.
Bewonderaar van Munts gedachtegoed, en hooggewaardeerde gast.

Ds. J.C.J. Kuiper
Heeft zich ingezet voor verdediging Munt, maar niet schriftelijk, was waarschijnlijk te delicaat voor een Dominee. Preekt op zijn Loosduinse kansel "
Herr, gib denen, die jetzt die Gewalt in unserm Land ausüben, ein mildes Urteil" Munt, aanwezig, voelt zich aangesproken en geroerd. Ds. Kuiper betwistte contra de fam. v.Vliet het leiderschap over de LO Den Haag, had veelvuldig contact met Munt, ook op zijn bijeenkomsten.
Als enige verzetsdaad bekend: een vrijbrief van Munt te organiseren om een eenmalig voedseltransport voor kinderen mogelijk te maken.

Na de bevrijding waren zij maar al te graag bereid om van de toren te blazen, hoe goed hun Illegaliteitsaktiviteiten wel waren geweest. Vergeefs heb ik naar hen gezocht bij verzetsmusea e.d., deze groep en gelijkgezinden hebben bij diverse instanties verdedigingsbrieven ingediend ten gunste van Munt en zelfs zijn zulk soort brieven aan aanklager Mr. J. Zaaier gezonden, ongetwijfeld zal dit laatste Mr. Versteeg ter loops ter ore gekomen zijn.

Munt was zwaar teleurgesteld, zit z.i. onterecht al veel te lang in het gevang en de vele Prominente Illegaliteitsvrienden zetten zich niet ruimschoots, als afgesproken, voor hem in.
De zelfbenoemde Illigaliteitsprominenten kijken wel uit, het collaboratie monster ligt op de loer en te nadrukkelijk steun verlenen aan Munt is ongezond voor de carrière.
Desondanks hebben zij op de achtergrond de nodige invloed uitgeoefend, via de posities die zij bekleedden, om Munt onschuldiger te doen zijn dan hij werkelijk was, niet in de eerste plaats voor Munt zelf, echter zeker ook voor zichzelf ter voorkoming van vervelende gevolgen.

Verzetsstrijder Peter Noord (Hordijk) gewestelijk commandant van de BS noemde de "verzetsgeest in Den Haag 'volkomen rot' ". (Dr. L. de Jong, deel 10b, blz.729)

Wat is het belang van voorzitter Versteeg,
om Munt zo prominent en kennelijk zo van belang te doen zijn, dat hij 2 geheime dossierstukken laat vervaardigen door de rijksrechercheurs Pieter van de Nadort en A. Odding resp. 26 febr. en 30 maart 1946 en deze stukken vervolgens niet te laten adresseren aan de [Zuiveringscommissie Hogerpolitiepersoneel] doch aan zichzelf in zijn fuctie van Directeur van Politie, het was kennelijk niet de bedoeling, dat beide andere leden van de commissie, Mr. Kappeijne van de Coppello en commissaris H. Voordewind uit Amsterdam, de stukken onder ogen kregen, eigenlijk heel bizar je medecommissieleden stukken te onthouden.

Zeggen wil ik hier niet mee, dat Mr. Versteeg doelbewust de zuiveringscommissie een bepaalde richting in stuurde, maar meer, dat hij van buiten de commissie zaken aangedragen kreeg, die een vermoeden in bepaalde richting sterk bevorderde en dat degene die daar belang bij hadden dichter in zijn omgeving aanwezig waren, zonder hiervan kennis te hebben.

Als Procureur-Generaal bij het gerechtshof Den Haag stonden Mr. J. Versteeg, uit hoofde van zijn functie, vele zeer betrouwbare bronnen en mogelijkheden ter beschikking, des ondanks neemt hij de beschuldigingen van de SD-er Munt t.o.v. Valken kennelijk als betrouwbaar aan, i.p.v. juist deze beschuldigingen op betrouwbaarheid te verifiëren.
Een op zich al opmerkelijke werkwijze, waar zelfs een lading? tekens bij te plaatsen valt.
Niet dat ik er kritiek op heb dat Valken zich moest verantwoorden voor zijn doen en laten ten tijde van de bezetting, om echter een Nazi als Munt de kans te geven Valken in diskrediet te brengen gaat wel erg ver, tenzij Mr. Versteeg zaken aangedragen heeft gekregen door de vriendenclub van Munt, wat niet geheel uit te sluiten en zelfs aannemelijk is.
Overigens werd commissaris Voordewind op 10 maart 1947 uit de commissie Versteeg gezet omdat hij zich niet kon verenigen met de commissiestandpunten t.o.v. Valken en zijn voormalige chef Hoofdcommissaris Mr. L. Einthoven/Rotterdam.
(zie zevende Jaarboek RIOD)

Omstreeks 21 aug. 1946 brengt de commissie aan de Minister van Justitie rapport uit van zijn bevindingen en het oordeel, zij vinden dat Valken berispt dient te worden en vinden dat hij te kort is geschoten ter zake van de juiste houding in verband met de bezetting, dit nog gevolgd door een tweede negatief advies aan de Comm. v.d. Koningin Zuid-Holland 24 dec. 1946.
Een vernietigend advies en oordeel voor iemand in Valkens positie, die nog niet officieel benoemd is tot hoofdcommissaris van politie te 's-Gravenhage.

De Minister van Justitie is kennelijk een andere mening dan de commissie toegedaan, heeft waarschijnlijk de vele bijval ten gunste van Valken ingezien, ook die van Verzetsstrijder P.W. Hordijk (schuilnaam Peter-Noord) 5 okt. 1946.
Gerard Willem Valken is op 1 Februari 1948 bij Koninklijk Besluit benoemd tot Hoofdcommissaris van politie te 's-Gravenhage.

In mijn ogen was Hoofdcommissaris G.W. Valken een op en top correcte politieman, die met gevoel voor prioriteiten zijn politiewerk tijdens de moeilijkste periode van de bezetting verrichtte, AdJ.

Dit betekende echter niet, dat Valken zich verder volledig kon concentreren op zijn functie, het organiseren en in goede banen leiden van de door de oorlog geteisterde Gemeente Politie 's-Gravenhage, verre van dat, bij voortduring werd er aan zijn stoelpoten geknaagd.
Hetgeen blijkt uit de dossiers in het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waartoe ik officieel inzage heb gekregen op 5 juli 2000.

Minister van Binnenlandse Zaken aan Minister van Justitie 's-Gravenhage oktober 1951.
In zake ontwerpbesluit ontslag Hoofdcommissaris G.W. Valken, er komt naar voren, als een van de motivaties, het oordeel en advies van de Commissie Versteeg(h).
Burgemeester Schokking zegt Valken het ontslag aan.
Bij Koninklijk besluit 31 oktober 1951 is het ontslag bekrachtigd door Koningin Juliana, ingaande 1 februari 1952.
Hoofdcommissaris Valken heeft dit ontslag aangevochten bij het ambtenarengerecht.
Echter door zijn weerstand tegen het ontslag ontstond er een nog grotere vertrouwenscrisis, die Valken nimmer heeft kunnen winnen en of overwinnen.
Hem is eervol ontslag verleend per 1 februari 1952, op 3 juni 1987 is hij te Ede Gld. overleden.

Of Hoofdcommissaris Valken in zijn functie goed functioneerde kan en wens ik niet te beoordelen, de tijd na de bevrijding zal ongetwijfeld voor een ieder zeer uitputtend geweest zijn, echter het mede als ontslagmotivatie gebruiken van de gebezigde conclusie van de Commissie Mr. J. Versteegh doet vermoeden, dat aan het ontslag niet alleen zijn functioneren ten grondslag lag, doch minstens dubieuze beoordelingen dit ten sterkste hebben bevorderd.

Uit alles wat mij over Hoofdcommissaris G. W. Valken onder ogen is gekomen kan ik niet anders opmaken dan dat hij op een zeker moment, ware hij nog in fuctie geweest, de zaak Munt zeker aan het licht zou hebben gebracht, niet alleen om de 11 door Munt vermoorde slachtoffers, maar juist om de dubieuze beschuldiging van het door hem uitleveren aan de SDer Munt van Nederlandse verdachten, die vervolgens door Munt misbruikt werden voor represailles.
Het openbaar maken van zo'n verleden zou voor een niet gering aantal personen, zeker die tot de vriendenclub Munt behoorden, tot een carrièredrama hebben kunnen leiden, waarop velen niet echt zaten te wachten.

Hiermee besluit ik het deel over Hoofdcommissaris G.W. Valken.


Als laatste onderdeel wens ik U voor te leggen een proefschrift uit 1995

Burgemeester Mr. Dr. S.J.R. de Monchy van Den Haag geeft gemeentearchivaris Dr. W. Moll na de bevrijding opdracht tot het doen samenstellen van een boek over Den Haag in de Tweede Wereldoorlog. De reden waarom Dr. Moll deze opdracht niet heeft voltooid is mij onbekend.

Rond 1990 komt van B&W Den Haag de wens dit werk alsnog te voltooien, er wordt een sollicitatieprocedure in werking gesteld en Bart Erik van der Boom verkrijgt de opdracht en wenst deze opdracht te gebruiken om te promoveren aan de Rijksuniversiteit te Leiden.
Van der Boom was kort hiervoor afgestudeerd (Amerikanistiek) met een doctoraalscriptie over de NSB-er K. van Geelkerken, rechterhand van Mussert. (ISBN 90-204-1897-1)
Een weinig opzienbarend 120 pagina boekje, met feiten, die reeds geruime tijd gekend waren.

Universiteit Leiden, op 26 april 1995 overhandigde van der Boom, na afloop van zijn verdediging, zijn dissertatie, via de gemeentearchivaris, aan burgemeester Havermans van Den Haag "Den Haag in de Tweede Wereldoorlog"

Daar mijn onderzoek naar wat er werkelijk had plaatsgevonden met mijn Vader was gestart in 1994 bij het Ministerie van Justitie CABR archief (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging), attendeerden enkele ambtenaren mij op de op handen zijnde promotie.
Een korte tijd later bestelde ik via de bibliotheek dit "Proefschrift", tijdens het lezen schrik ik mij wezenloos, eigenlijk kan ik nog steeds niet geloven, wat er in dit proefschrift staat.

N.B. De SD-er J.H.L. Munt wordt (af)geschilderd als een nogal brave goedwillende Duitse kommissaris van Politie, en mijn Vader en zijn tien medeslachtoffers zijn plotseling "plunderaars en misdadigers" en dit lees ik dan in een door de Gemeente Den Haag en de Rijksuniversiteit Leiden gefinancierd wetenschappelijk onderzoek.

Dr. L. de Jong en Dr. A.E. Cohen hebben met een uitgebreide staf onderzoek gedaan naar de z.g. aanslag op Rauter en de gevolgen, Hoofdcommissaris G.W. Valken heeft aan den lijve ondervonden en gerapporteerd in zijn PV. over Munt, zij allen hebben het over de "z.g. plunderaars en misdadigers"

In het wetenschappelijk onderzoek van B. v.d. Boom worden de feiten verdraaid en heet het zonder nader onderzoek "de aanslag op Rauter en 11 plunderaars en misdadigers", daar de bronnen die v.d. Boom vermeld dezelfde zijn als die ik in mijn bezit heb uit het CABR archief van het Ministerie van Justitie en andere relevante archieven en deze bronnen een geheel andere toedracht weergeven, besluit ik tot een gedegen onderzoek naar de werkelijkheid.

Tot het moment, dat ik B. v.d. Boom's boek onder ogen kreeg, was ik reeds bekend met de feiten, die plaats hadden gevonden en de publikaties met het voorvoegsel "z.g.", ik had er vrede mee, omdat dit aangaf dat " plunderaars en misdadigers " door Munt misbruikte aanleidingen waren, waar door mij op het voorvoegsel (z.g.) redelijker wijze niets op aan te merken was en door mij ook niet als grievend is ervaren.

Wat was dan de reden dat v.d. Boom tot zulke conclusies was gekomen

Ondanks dat hij a.h.w. op het vuur zit, beperkt hij zijn onderzoek in deze tot de archieven van de Gemeente Den Haag, RIOD en het CABR archief Ministerie van Justitie en laat het BOOM-archief en het UNWCC-archief in het ARA Den Haag geheel terzijde, ondanks dat hij erop gewezen was door ambtenaren van Justitie.

Het originele document Munt 9 maart 1945, kende BvdB. niet. Het is hem door mij toegezonden met mijn bezwaar ten opzichte van zijn dissertatie.

Als wetenschapper moet hem bekend zijn geweest, dat er mogelijk processen-verbaal waren opgemaakt, commissaris Valken laat dit blijken in zijn Pvb contra Munt.
Vd. Boom neemt niet de geringste moeite dit te onderzoeken, ondanks het feit, dat hij toegang had tot het gehele gemeentearchief van zijn opdrachtgever, binnen dit archief onder beheersnr. 432 / inventaris nrs. 1381, 1382, 1383 enz. enz. zijn alle Pvb op alfabet te vinden (niet openbare politie archieven) en had hij de originele Pvb kunnen vinden, inclusief de daarbij gevoegde antecedenten onderzoeken (zoals U in de eerder genoemde Pvb bijlagen kan verifiëren).

Indien v.d. Boom werkelijk wetenschappelijk onderzoek had verricht, zou hij niet achterwege hebben gelaten om in het ARA BOOM en UNWCC archief Munt te onderzoeken. I.p.v. bijna letterlijk de teksten van Munt te volgen.
Tevens had hij dan ontdekt de aanwezigheid van de afschriften van de Pvb genoemd op het document Munt 9 maart 1945, en als BvdB slim genoeg was geweest had hij ook kunnen bedenken, dat hij bij zijn opdrachtgever in het Gem. Archief de originelen had kunnen vinden.

Het is BvdB. kwalijk te nemen, dat hij dit als wetenschapper achterwege gelaten heeft en als vanzelf aangenomen heeft, dat alle represailles door Munt uitgevoerd identiek plaats vonden. Juist omdat in de ARA archieven van vele stukken Originele documenten te vinden zijn, voorzien van opmerkingen en aanwijzingen, die niet zijn terug te vinden op de stukken in het CABR archief, waar in de vele afschriften een vertekend beeld is weergegeven door de afwezigheid van aantekeningen enz. zoals op en bij deze originele documenten.

Ter vergelijking voeg ik hier voor U toe het afschrift van de veroordeling van Munt 8 maart 1945, zoals dat in het CABR archief bij het Min. van Justitie te vinden was, geen enkele aantekening of opmerking te vinden.

Het was zelfs zo, dat in het CABR archief op Justitie de afschriften van de 8 genoemde Pvb niet aanwezig waren, zij zijn mij door het ARA (Plantiga) uit het BOOM archief nagezonden.
Pas nadat ik de originelen had getraceerd bij het gemeente archief DenHaag, werd duidelijk, dat er 9 Pvb waren opgemaakt.
Overigens was mij de toestemming tot die archiestukken geweigerd, na uitspraak via de Commissie beroep- en bezwaarschriften, die het verweer en hevig verzet van de gemeente Den Haag pareerde, kreeg ik 2 nov. 1999 alsnog toestemming tot deze archieven.

Hoofdstuk VII "TERREUR" blz. 227 van de dissertatie.

______________________________________________________________________________

Aussendienststellenleiter J.H.L. Munt wordt hier door BvdB voorgesteld als een beminnelijke
kommissaris van politie die alle goeds met de Nederlanders voor heeft;

   Wie mag dit bewijzen, bron 41, hoofdstuk VII blz. 278,
   Cornelis Leemhuis, NSB onderinspecteur, bijna tot levenslang, na cassatie
   tot 10 jaar strafgevangenis en verlies van kiesrecht, veroordeeld.
   Munt beschrijft Leemhuis als zijn " Tüchtigste mitarbeiter " in zijn
   Tätigkeitsbericht blz.18 en tijdens diverse verhoren.

**********
B vd B geeft in een sterk verkorte en vervormde versie weer wat op 7-/-8 maart 1945 heeft plaatsgevonden, commissaris Valken komt er alleen in principiële vorm in voor, het door Valken in zijn p.v. contra Munt aangeven dat van de z.g. verdachten (Plunderaars) "geenszins vaststond dat het hen ten laste gelegde door hen gepleegd was". is voor BvdB blz. 228 kennelijk van ondergeschikt belang, en betekeningsloos.


   Commissaris Valken dient als bron 52 , hoofdstuk VII blz. 278,
   Vermeld door BvdB is alleen, dat dit een verklaring is, dat deze verklaring
   27/10-47 onderdeel is van het Pvb 8/10-1945 contra Munt, vermeld BvdB
   niet, in het dossier W.H. Fransen zijn beide stukken aan elkaar geniet, zelf
   heb ik ze in handen gehad en copieën gekregen.
   Verklaring Munt 16/5-1947, Is het 108 pag. p.v. over Munt, ook daarin
   komt naar voren de mogelijke onschuld van de 11 slachtoffers.
**********
Dominant laat BvdB Munt via zijn verklaringen en het dagboek "Mein Auschnitt
Sicherheitspolizei in Den Haag" het hoofdstuk "Terreur" in beeld brengen.
Op een wel zeer eenzijdige wijze is het beeld bepaald door de Nationaal Socialistische wijze, die Munt vertaalde. Geen enkele kritiek van BvdB, ondanks dat de vele Pvb over Munt en consorten een totaal andere werkelijkheid naar voren brachten.
Titel pag. enz.+ blz. 227-228-229 en blz.278 bronnen 41 t.e.m. 54

Dr. L. de Jong geeft op blz. 379 en 380 deel 10b
een ander soort Munt weer.

______________________________________________________________________________

De onderzoeken van Bart E. vd Boom hebben veel weg van een soort journalistiek die spektakelverhalen een groter belang toedichten dan wetenschappelijk achterhaalde feiten en werkelijkheden afkomstig uit officiële dossierstukken.
Ook is niet uit te sluiten dat het onverschilligheid van BvdB is, het zijn maar plunderaars en misdadigers, daar wens ik niet veel tijd aan te besteden.
Op de stofomslag prijst hij de hoge wetenschappelijke kwaliteit en dat het zich laat lezen als een boeiende documentaire. Dit laatste is mogelijk waar, echter met de
onverlette wetenschappelijke kwaliteit heb ik moeite, dat moge al blijken uit de feiten in het vorige kader.

In mei 1996 dien ik mijn bezwaar in aan B&W Den Haag als zijnde medeopdrachtgever en tevens aan de auteur Bart Erik van der Boom te Amsterdam over zijn dissertatie, "Den Haag in de Tweede Wereldoorlog"
Een 12 pagina's bezwaar met daar aan toegevoegd alle daarin genoemde bewijsdocumenten,
"
● Zouden zijn heen gezonden." - Groenlo 5 mei 1996.

Na wat verwikkelingen met een aantal onwillige gemeenteambtenaren worden mijn vrouw en ik persoonlijk door burgemeester Deetman 26 nov. 1997 uitgenodigd in het bijzijn van gemeente archivaris Maarschalkerweerd.
Aan rehabilitatie door de gemeente Den Haag kan burgemeester Deetman geen gevolg geven, omdat hij niet over die mogelijkheden daartoe t.o.v. de dissertatie van BvdB beschikt.

Wel kwamen we overeen, op voorstel van Deetman, dat genoemd onderzoek plus bijlagen en een voorwoord van mij door het gemeente archief zal worden gebundeld en in de bibliotheek van het archief gekoppeld aan de dissertatie van BvdB zal worden opgenomen.
Tevens, dat er een tweede exemplaar zou worden aangeboden aan het RIOD te Amsterdam.
Beide voorstellen zijn door de gemeente Den Haag correct uitgevoerd.
17 en 23 dec. 1998

De auteur Bart Erik van der Boom reageerde op een nogal hooghartige arrogante wijze in een 4 blz. 4-6-1996 schriftelijk antwoord, omdat ik de moeite had genomen hem te schrijven.
     Kan verkeren zei eens een groot Nederlander!
"Een historicus is echter geen rechter" dat ik hem de conclusies van een Hoofdcommissaris en twee Politie Inspecteurs voorleg, die direct bij het voorgevallenen betrokken waren, neemt hij voor kennisgeving aan en wenst vervolgens zijn eigen gelijk als waarheid te handhaven.

______________________________________________________________________________

   Dat Mijn Vader, Vet en Koernab " zouden zijn heengezonden is voor BvdB geen
   aanwijzing dat zij mogelijk onschuldig waren, in zijn ogen moeten zij ergens
   schuldig aan zijn. Een misselijkmakend zijnde, ongegronde beschuldiging, van een
   zich "niet rechter zijnde" noemende historicus.

   Een Hoofdcommissaris noemt twee inspecteurs bij naam, deze zetten vervolgens
   hun paraaf onderaan rechts op het document Munt, maar onze historicus vindt
   het onduidelijk wie de opmerkingen plaatste.

   Antecedentenonderzoek stelt niets voor aldus onze historicus, zoals eerder
   gemeld zitten zij bij de originele Pvb.

   Munt had geen Pvb, beschuldigde willekeurig 11 slachtoffers in het Duits, alleen
   omdat zij aangehouden waren door het plunderingsdetachement, het ontgaat
   BvdB volkomen wat Valken in het Pvb zegt en vindt het vervolgens niet
   ongeloofwaardig, dat Munt allen als plunderaar zag.

   Mijn commentaar op deze brief:
   Je moet krom kunnen zwetsen om recht te breien.

______________________________________________________________________________

Bart E. van der Boom geeft er blijk van, niet tegen gefundeerde kritiek te kunnen en gebruikt drogredenen en uitvluchten om deze kritiek te pareren.
Kennelijk voelt hij zich op zijn tenen getrapt door hem te confronteren met copieën van originele documenten terzake.
En voor het overige een totale afwijzing, laat staan een rehabilitatie, en voor excuus is geheel geen plaats. Eerlijk gezegd, iets anders had ik van van der Boom nauwelijks verwacht.

Mijn verwachtingen over een reactie van Bart E. van der Boom zijn teleurgesteld, ik had er echter al rekening mee gehouden, mede doordat hij bij het Justitiearchief al behoorlijk zijn arrogantie had laten blijken, aldus medewerkers destijds aldaar.

Wat B&W Den Haag heeft bewogen de opdracht aan BvdB te gunnen is mij een groot ?, vd Boom was pas kort hiervoor afgestudeerd (Amerikanistiek) te Amsterdam, om vrijwel aansluitend hierop een promotie studie over Den Haag in de t.w. oorlog te voltooien.

Het komt mij voor, dat voor zo'n zwaar gegeven in een stad als Den Haag, waar de gehele Nazi bevelsstruktuur geconcentreerd aanwezig was, niet alleen studieresultaten, doch tevens een rijke ervaring aan deskundig inzicht over deze zeer moeilijke periode noodzakelijk dient te zijn, zaken die op 30 jarige leeftijd alleen al hierdoor nauwelijks aanwezig kunnen zijn.

Het verleden, zoals hiervoor beschreven, komt een buitenstaander als ongeloofwaardig voor, men ziet zowat dat het waarheids gehalte betwijfeld wordt, al gauw denkt men, die heeft een rijke fantasie, die probeert iets beter voor te doen dan de werkelijkheid, omdat zijn Vader er in betrokken is.
Echter het blijken dossierstukken van officiële verhoren, verslagen, processen-verbaal en briefwisselingen enz. te zijn. Er is dus geen sprake van fantasie.
Zoals eerder vermeld hoop ik dan ook, dat dit onderzoeksrapport een sterke bijdrage levert aan de rehabilitatie van de elf slachtoffers.

Hoorn, mei 2004.
Andries de Jonge

Graag geef ik dit onderzoek een opdracht mee,
voor mijn
Vader Moeder 4 Zuster(s) en ons Gezin.

TERUG NAAR INLEIDING RAPPORT

TERUG NAAR EXECUTIES 1945