| |
Zij traden aan bij ’t eerste morgenklaren,
zonder een woord.
Zo hebben hen de knechten der barbaren
haastig vermoord:
achttien der onzen, zwijgend aangetreden
op ’t laatst bevel.
Het salvo viel. Hun strijd was uitgestreden.
God hield appèl.
Geen krans, geen vlag dekte de smalle baren.
Geen doodsbericht
verkondt den volke wie de achttien waren
van dit gericht.
Het licht glijdt aan over de lage landen
van wad tot ven,
en wij, gebukt onder het juk der schande,
gedenken hen.
Gedenken hen die, toen het land verslagen
en machteloos scheen,
de vaan der vrijheid hoog hebben gedragen,
door alles heen,
die ’t fiere wachtwoord hebben doorgegeven
van mond tot mond:
dat eens de tirannie zal zijn verdreven
die ’t hert doorwondt.
Iedere morgen, als de zon komt rijzen
op Hollands wei,
en elke avond als het licht gaat grijzen,
gedenken wij.
Maar ’t licht in onze ogen wordt niet doffer,
noch zwak de hand,
wanneer wij denken aan hun bloedig offer
voor ’t vaderland.
Tegen de tirannie die zij bestreden,
vechten ook wij.
Naar ’t éne doel richten zich onze schreden.
Wij zweren trouw de leus die zij beleden:
Nederland vrij! |