Jacobus Alexander
Martens![]()
Jacobus
Alexander Martens, geboren 10 augustus 1923 te Haarlem. Hij groeide op in de
Wetstraat te IJmuiden, gemeente Velsen. Op 11 juli 1933 verhuisde het gezin
naar Wijk aan Zee en Duin en op 12 december van datzelfde jaar naar
Beverwijk. Hij was ook vanaf de oprichting in 1935 tot het verbod door de Duitse bezetter in 1941 lid (eerst welp, daarna voortrekker) van de verkennersgroep André de Thaye in Beverwijk. Na zijn schooltijd in 1939 ging hij werken bij de Rijksverzekeringsbank (thans Sociale Verzekeringsbank) te Amsterdam. Toen op 10 mei 1940 het Duitse leger Nederland binnenviel en vervolgens bezette, was Jacques Martens bijna 17 jaar. Hij werd in 1941 of 1942 opgeroepen voor tewerkstelling in Duitsland, de zgn. "Arbeidseinsatz" of voor de "Arbeidsdienst" dat is niet geheel duidelijk. Hij weigerde hieraan gevolg te geven en dook onder. Eerder had hij zich met enkele Beverwijker vrienden op kleine schaal verzet tegen de Duitsers. Hij liet duidelijk blijken fel gekant te zijn tegen de Duitse bezetter. In het verzet was hij aangesloten bij de "Oranje Vrijbuiters", een groep die in 1941 was gevormd door de bouwkundige Klaas Postma ("oom Peters") uit Utrecht. Aanvankelijk was het doel van de groep om Joden en studenten te laten onderduiken, maar na enige tijd werd een "knokploeg" opgericht van ongeveer 24 jongens en Truus Solleveld. Deze ploeg pleegde aanslagen op landverraders, NSB-ers en Duitsers, overvallen pleegde op distributiekantoren om onderduikers te voorzien van distributiebescheiden, persoonsbewijzen, enz. en die verder spionagediensten verrichtte. Leiders van de knokploeg waren Hans van Koetsveld en Tom Spoelstra. In augustus 1943 werden bijna alle onderduikers en ook de "knokploeg" (20 man) gevangen genomen als gevolg van verraad door Joop de Heus, één der aangeslotenen. Bij die gearresteerden was ook Martens. Met gevangenenummer 5359 werd Martens vastgezet in cel 525 van het 'Oranjehotel' in Scheveningen en op 28 februari 1944 berecht door het Polizeistandgericht in Den Haag, waarbij 20 'Oranje Vrijbuiters' ter dood werden veroordeeld (zie krantenknipsel) Aan de vooravond van de executies vroegen de ter dood veroordeelden om geestelijke bijstand. Dit werd geweigerd. Ook het schrijven van een afscheidsbrief werd niet toegestaan. Om 12 uur 's nachts kregen ze een galgenmaal: brood met jam en een sigaret. Geboeid werden ze weggevoerd. Op de rand van het massagraf, vlak voor de executies op de Waalsdorpervlakte, kregen Bertus Heij en Jan van der Voort te horen dat zij gratie kregen. Zij moesten wel toezien hoe hun makkers 2 aan 2 geëxecuteerd werden. De belangrijkste reden voor de gratie van Bertus Heij was dat hij tegelijk jarig was met Hitler. Zijn straf werd omgezet in 20 jaar tuchthuisstraf, hetgeen Dachau betekende, waar Jan van der Voort overigens ook belandde. Het vonnis werd op 29 februari 1944 op de Waalsdorpervlakte voltrokken. Hun laatste woorden waren: "Wij sterven voor God, Koningin en Vaderland".
|