|
Aan mijn brief aan U heb ik enkele copieën van authentieke documenten
toegevoegd t.w. Aansluitend volgt hier mijn motivatie waarom, ik leg U eerst voor de eindbeschouwing, ofschoon deze na het onderzoek thuis hoort, dit om aan te geven waarom ik dit uitgebreide onderzoek wenste uit te voeren. Eindbeschouwing, "Het resultaat",
helaas heb ik moeten constateren. Een overheid, die de
nabestaanden volledig in het ongewisse heeft gelaten, die de moordenaar van
11 onschuldigen zonder berechting "onvoorwaardelijk buitenvervolging stelt "
en vrijlaat, Procureur-Fiscaal Mr. J. Zaaier, die toestaat, dat deze
oorlogsmisdadiger J.H.L. Munt van de lijst UNWCC van oorlogsmisdadigers is
verwijderd, en hiermede ook zijn berechting in Duitsland onmogelijk maakte,
ondanks het feit, dat Hoge gezagdragers als, feitelijk de hoogste ambtenaar
in Nederland Secretaris-Generaal Mr. J. Tenkink Departement van Justitie,
Procureur-Generaal Mr. J. Versteeg van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, op
de hoogte waren, althans konden zijn, middels rapportages en
processen-verbaal t.b.v. de Ned. UNWCC afdeling, geleid door Mr. dr. M.W.
Mouton en het p.v. van Hoofdcommissaris G.W. Valken, 8/10 1945 plus
aanvulling 27/10 1947. V ELE LANDGENOTENH ET OFFER VAN HUN LEVENV OOR UW VRIJHEIDDe promovendus Bart E. van der Boom heeft in
vrijheid kunnen studeren en promoveren, deze vrijheid is hem geschonken
doordat de overheid dit financieel mogelijk heeft gemaakt. Deze financiën
heeft de overheid verkregen van burgers, die vrijheid en vooruitgang een
voorwaarde achten. Een vrijheid, die Bart E. van der Boom met voeten heeft
getreden, door onschuldigen als Plunderaars en Misdadigers vast te leggen in
een z.g. wetenschappelijk onderzoek, een onderzoek, dat niet heeft
plaatsgevonden. Een beschamende vertoning. Een wetenschappelijk onderzoek
onwaardig, vooral als onderschatting en of desinteresse gepaard gaat met
onvoldoende inleving in de bronnen die ter beschikking staan. Onderzoekrapport + bijlagen, Hoorn, 2003 / 2004 |
|
HONGERWINTER MAART 1945 Bittere kou noodzaakte de mensen, om alles
wat enigszins verlichting geven kon, tot voor in normale tijden desastreuse
maatregelen, bomen langs straten en grachten, eerst ontdaan van hun kruinen
en stammen, later zeer moeizaam ook de de wortels en alles wat er bij
hoorde, vervolgens de vloeren en deuren van de woningen. Dit alles om met
een soort opzetkacheltje nog enigszins voedsel te kunnen koken en of wat
warmte te kunnen krijgen. *********** |
|
Met het volgende relaas met bewijsdocumenten zal ik U
overtuigen, dat de 11 slachtoffers geen plunderaars en misdadigers waren,
maar het tegendeel en dat dit onrecht tot op heden nog steeds niet is
rechtgezet. |
|
In Den Haag wordt opgericht een
plunderingsdetachement o.l.v. Hoofdinspecteur G.W. Valken, omdat
tijdens en na de bombardementen plunderingen plaatsvinden. Door de Haagsche
Politie, landwachten, NSB-ers, Veldwachters enz. enz. wordt eenieder die
zich in de omgeving van de gebombardeerde wijken ophoudt aangehouden als er
volgens de aanhouders geen goede verklaring omtrent de aanwezigheid aldaar
is. (overigens de aanhoudingen waren niet alleen omtrent plundering, maar
b.v. ook onderduiken enz. enz. enz.). |
|
rapportenboek bureau Buitenhof 8.15 uur Controleur XX brengt aan Andries de Jonge 17 febr. 1917 -/- 11.oo uur overbrenging naar Lyceumplein. (Opmerkelijk: de vele vermeldingen van Luchtalarm op dit document) ---------------- arrestantenregister Lyceumplein inschrijving in het register, regel 555 ----------------- arrestantenboek Lyceumplein. 11.15 uur insluiting van mijn Vader Lyceumplein -/-. 18.20 uur onder insp. Leemhuis en een Duitsche politie officier halen A. de Jonge enz . enz. (34 namen) -/- overgebracht naar Scheveningen enz. enz.. Uit het Pvb Hoofdcommissaris G.W. Valken is
ondubbelzinnig op te maken, dat de door Munt opgeeiste arrestanten van het
Lyceumplein niet door hem zouden worden uitgeleverd, ook niet de eventueel
aanwezige processen-verbaal. Met als motivatie, dat zij allen onder
Nederlands recht vielen en dat Munt geen enkel recht kon doen gelden op deze
arrestanten. |
|
______________________________________________________________________________ De onderzoeken van inspecteurs van der Ham en Teseling wijzen uit, dat drie slachtoffers niets te verwijten viel en zouden zijn Heengezonden (waaronder mijn Vader), van de acht andere slachtoffers zijn de processen-verbaal alsnog volledig gecompleteerd, mede omdat bij sommige aanhoudingen meerdere personen betrokken waren. Uit deze p.v.'s blijkt, dat de meeste van hen mensen hielpen, die door de bombardementen getroffen waren en trachtten hetgeen nog te redden was elders onder te brengen, dit helpen geschiedde niet alleen uit hulpvaardigheid, men trachtte waar mogelijk met ruilhandel enz. wat bij te verdienen. Wat werd hen verweten door de aanhouders .Op alle 9 Pvb is destijds met de hand op
de authentieke p.v.'s plundering gewijzigd in "Diefstal bij gelegenheid van
oorlogsnood (art. 311, 2e W.v.S." |
|
De beschuldiging van Munt stoelde alleen op het feit, dat de verdachten zich op dat moment in het politie arrestanten lokaal Lyceumplein bevonden en hij Munt geen tijd had te onderzoeken of zij ergens aan schuldig waren. De benoeming van Valken tot de eerste
Hoofdcommissaris van Den Haag na de bevrijding heeft
op voordracht van het College Vertrouwensmannen o.a.
Dr. Drees plaatsgevonden, zoals te lezen valt in Dr. de Jong's standaadwerk
deel 10b, dit o.a. mede naar aanleiding van
zijn houding t.o.v. SD-er Munt en de NSB-er Fransen 7 maart 1945. |
|
6 mei 1945 Munt en vele consorten worden
gedetineerd in o.a. de cellenbarakken van de
Scheveningse strafgevangenis, er volgen vele verhoren en processen-verbaal
waarvan,
(van Geffen en Edens afgesloten 16 Mei 1947. (BOOM
archief ARA) |
|
______________________________________________________________________________ De NSB onderinspecteur C. Leemhuis is op
22 dec. 1947 tot levenslang gevangenisstraf veroordeeld, in cassatie B.G.
's-Hertogenbosch is dit teruggebracht naar 10 jaren op 23 mei 1950. Mr. J.
Zaaier vond, dat Leemhuis de
doodstraf verdiende, in 1947 een
brief aan de Minister van Justitie. |
|
Op 25-7-1946 zendt Mouton een telegram, dat de eerder genoemde Duitsers op de lijst van de U.N.W.C.C. zijn geplaatst en dat verdere inlichtingen niet noodzakelijk zijn. |
|
September 1946, U.N.W.C.C. List No. 42, Munt op de lijst geplaatst als "Murder", en op een secretariaatslijst zijn de zaaknummers vermeld betreffende Nederlandse zaken. |
| wordt door Mr. J.S. Bijl (BOOM) een verzoek naar Duitsland gezonden naar "Allied missions camp HQ" om opsporing en overbrenging naar Nederland van o.a. Schmidtman, Paasch, en Dr. K. Majarek, dit zijn de uitvoerders van de executie 8 maart 1945. Ook zij worden op de U.N.W.C.C. lijst geplaatst valt te lezen. |
|
Den Haag 28.6.1948 Cellenbarakken, Munt verzoekt aan het B.G. Den Haag om overleg, omdat eerdere verzoeken tot vrijlating bij H.M. de Koningin en de Minister van Justitie onbeantwoord bleven en hij vond, dat hij geen oorlogsmisdadiger was en op vrijlating rekenen kon. Bij dit overleg wilde hij ook graag, dat hoofdcommissaris Valken aanwezig zou zijn, omdat hij een aantal essentiële zaken kon voorleggen in algemeen Nederlands belang. |
|
De verontwaardiging in Nederland was groot
toen in kranten artikelen verschenen dat diverse SS-ers waaronder Munt:
"Onvoorwaardelijk Buitenvervolging zijn gesteld door
Procureur-Fiscaal J. Zaaijer, 9-10-48" |
|
Niet alleen het publiek, ook 2e Kamerlid
Mr. L.A. Donker is verbijsterd, op 16 febr. 1949
stelt hij vragen aan de Minister van Justitie Wijers, het antwoord
van de Minister (in essentie weergegeven) de "Onvoorwaardelijke
Buitenvervolgingstelling" had niet plaats mogen vinden. Munt en andere
hadden minstens door de rechter moeten worden beoordeeld. |
|
Drie en halve maand later 9 maart 1949 ,er komt een telex bericht bij Netherlands Public Safety Authority in The Hague van Public Safety Special Branch HQ Hamburg, dat Munt weliswaar nog gemeld staat in het Central Register U.N.W.C.C., doch dat hij vervolgens is vrijgesproken door de rechtbank in Holland en naar Duitsland gezonden is. Men verzoekt of dit juist is, en indien positief bevestigd, dat zij stappen zullen ondernemen om Munt van deze lijst af te voeren. |
| via de Directeur Generaal voor de B.I.A.A. Ter Veer is bovenstaand bericht doorgezonden aan Commission in Herford Jhr. Mr. F.A. Groeninx Van Zoelen, met de opmerkingen " Munt werd verdacht van ernstige oorlogsmisdrijven, het Mr. Ter Veer, dat Munt inmiddels weer een belangrijke verzoekt hij de behandeling van deze zaak over te nemen. |
|
neem ik contact op met het Ressortspakket Amsterdam Mr. P.M.
Brilman Landelijk Officier van Justitie Oorlogsmisdrijven. Deze meldt mij, dat Munt in ieder geval sinds de oprichting van het bureau niet meer gesignaleerd heeft gestaan als oorlogsmisdadiger, alleen is er een klein dossier als vooronderzoek van het Staatsanwaltschaft Hamburg, waarin vermeld de represaille 8 maart 1945, en de verwondering dat Munt in Nederland nooit voor een strafrechter heeft moeten verschijnen. |
|
Wanneer Munt daadwerkelijk van de lijst van oorlogsmisdadigers U.N.W.C.C. is afgevoerd heb ik niet kunnen achterhalen, want het resultaat van de afhandeling van Jhr. Mr. F.A. Groeninx Van Zoelen is ogenschijnlijk niet in de archieven van het Ministerie van Justitie en het Nationaal Archief Den Haag te traceren. Het is zeer aannemelijk, dat dit reeds in zeer vroeg stadium na zijn vrijlating 25-11-48 naar Münsterlager heeft plaats gevonden. |
|
Dit blijkt tevens uit het antwoord 18/11-2003
op mijn vragen aan
Oberstaatsanwalt U. Maass Dortmund,
hij schrijft mij of Munt daadwerkelijk op de lijst U.N.W.C.C. heeft gestaan
dan wel is afgevoerd, niet door hem te achterhalen is, wel is zeker dat er
in Duitsland nimmer een vervolging wegens oorlogsmisdaden tegen Munt heeft
plaatsgevonden. |
|
maakt het TV. Programma "Achter het Nieuws" bekend, dat er
een lijst van 310 Duitsers naar Duitsland was gezonden met het vezoek deze
alsnog te vervolgen, wegensde verantwoordelijkheid voor de dood van minstens
1640 Nederlanders tussen aug. 1944 en mei 1945, op deze lijst zou ook o.a.
J.H.L. Munt voor zijn gekomen, het Ministerie van Justitie wenste de namen
op de lijst destijds niet vrij te geven. Pijnlijk duidelijk is nu wel, dat uit de gegevens van Oberstaatsanwalt U. Maass en Mr. P.M. Brilman blijkt, dat Munt niet op deze lijst aanwezig was, in ieder geval niet als oorlogsmisdadiger, want als zodanig stond hij in Nerderland en Duitsland niet meer gesignaleerd. De Nederlandse bevolking en of nabestaanden hebben nooit geweten, dat Munt op onvoorstelbare, onbegrijpelijke en eigenlijk op slinkse wijze van deze U.N.W.C.C. lijst is kunnen worden afgevoerd. Dit is alleen te zien als een beschamende vertoning door de toenmalige Nederlandse overheid, en een groot nadeel voor nabestaanden van de vele slachtoffers, door Munt's toedoen de dood ingejaagd, zonder dat zij ooit de kans hebben gekregen te weten wat er met de slachtoffers werkelijk heeft plaatsgevonden, hen is dit recht volkomen ontnomen. |
|
______________________________________________________________________________ Op welke wijze dit heeft kunnen plaatsvinden zal ik U voorleggen aan de hand van gegevens uit o.a. Munt's " Tätigkeitsbericht ", de verhouding van een vijftal advocaten en een dominee tot Munt, en de rapporten en notities van de zuiveringscommissie hogerpolitiepersoneel betreffende hoofdcommissaris G.W. Valken, iets verderop in dit onderzoeksrapport. ______________________________________________________________________________ |
|
Pas als Dr. L. de Jong zijn standaardwerk " Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog " deel 10b publiek geworden is, wordt een tipje van de sluier gelicht, blz. 443/444. Weliswaar is in grove lijnen juist weergegeven wat er op 7 -/- 8 maart 1945 heeft plaatsgevonden, er wordt verhaald over een 15 jarige jongen, echter onder de 11 z.g. plunderaars waren als jongste drie 20 jarigen, hieruit blijkt, dat de onderzoekers van Dr. de Jong nooit de processen-verbaal en of de registraties van de arrestantenlokalen enz. onder ogen hebben gehad. |
|
In het Proces-verbaal No 72 d.d. 24 April 1946 van de rechercheurs J. Knol en J. Bijlsma blz. 12 t/m 14 is een nader verhoor van de SD-er Munt opgenomen en ondertekend, hierin geeft Munt volmondig toe dat hij "persoonlijk" verantwoordelijk was voor de dood van de z.g. plunderaars 8 maart 1945 en dat zij nimmer voor een Duitse Rechtbank hebben terechtgestaan, uit de 9 originele Nederlandse Pvb blijkt, dat zij ook voor 8 maart 1945 bij Justitie en politie in Nederland niet bekend waren. |
|
Derhalve is het gewettigd te stellen, dat er door de SD-er Munt, om zichzelf een gunstig alibi te verschaffen tegen een naoorlogse veroordeling, 11 onschuldige burgers op de "Waalsdorpervlakte" vermoord " zijn op 8 maart 1945, naast 27 goede Nederlanders, die door hun verzet tegen tirannie hun leven lieten. |
|
Enkele jaren geleden kreeg ik kontact met de voorzitter en secretaris van het Erepeloton van de Waalsdorpervlakte, de Heren Gaal en Heidt, het Erepeloton zorgt jaarlijks dat de gevallenen van het Nazi regime herdacht worden middels het luiden van de bourdon klok en de erewacht, van oorsprong zijn zij leden van de voormalige Binnenlandse Strijdkrachten, een van hen heeft een onderzoek gedaan naar wie er op de Waalsdorpervlakte het leven verloren. |
|
In zijn onderzoek is niets te vinden van de
11 slachtoffers, het is compleet onbekend, dat zij net als de 27
verzetstrijders gelijktijdig zijn gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte,
vanuit het Erepeloton begrijpelijk, echte plunderaars zijn niet echt een
Erewacht waard. |
|
Voor een aantal personen kon deze pijnlijke
geschiedenis maar beter verborgen blijven, zij hadden er groot persoonlijk
belang bij de 11 slachtoffers als plunderaars en misdadigers in stand te
houden en dit vervolgens te verzwijgen en verdoezelen. |
|
Uit al het voorgaande moge duidelijk zijn dat zij dit niet waren. |
|
Tot zover de gerechtelijke feiten over de SD-er Munt en de 11 slachtoffers als z.g. plunderaars en misdadigers in officiële en gerechtelijke zin. |
|
|
|
Op 10 januari 1946 start het
zuiveringsonderzoek omtrent Gerard Willem Valken, Fungerend Hoofdcommissaris
van Politie te 's-Gravenhage. |
|
Mr. Versteeg had in wezen drie petten op: |
|
Mr. Versteeg en Commissaris Valken lagen elkaar niet zo best om het rustig te verwoorden, aldus medewerkers van het Min. van Justitie tijdens mijn onderzoek aldaar, voor menig jurist was Valken een luis in de pels (omdat hij velen kende via zijn werk voor de illegaliteit), hetgeen hem niet in dank werd afgenomen. Mr. Versteeg wilde Valken maar al te graag vervangen zien. |
|
Dit zijn de voorwaarden waaronder Valkens
zuiveringsonderzoek start en plaats vond? |
| Een letterlijk punt voor punt met weglatingen en doorstrepingen getikt verslag en een copie van het origineel van deze zuiveringsnotities van Mr. Versteeg door mij getikt, leg ik U voor, dit omdat het handschrift van Mr. Versteeg soms nogal lastig te lezen is. |
|
Munt is tijdens deze zuivering tweemaal
ver(ge)hoord, beschuldigt Valken ervan, dat hij personen aan de SD heeft
uitgeleverd, moet dit echter in een tweede nader verhoor terug nemen, omdat
niet Valken doch echter, een aantal NSB politiemensen, personen en
processen-verbaal bij de SD-er Munt aanleverden om hun gewillige
samenwerking met de SD te bestendigen. |
|
Valken wordt op 18 april 1946 geconfronteerd met de uitspraken van Munt en voelt zich op grove wijze door de commissie op onheuse wijze in zijn eer en goede naam aangetast. |
|
In een persoonlijk schrijven aan de Voorzitter van 14 mei 1946 geeft hij dat te kennen met de toevoeging van een rapport van hoofdinspecteur Markgraaf en de hoofdbrigadiers van Dien en Schepenaar, die de stellingname van Munt ontkrachten. In zijn brief memoreert Valken ook nog aan zijn houding inzake Munt en de z.g. plunderaars 7 maart 1945. |
|
Wat Valken niet kon weten is, dat er in opdracht van commissievoorzitter Mr. Versteeg een geheim rapport is opgemaakt over wie er in het tijdvak "okt. 1944 en mei 1945" door de Duitsers in 's-Gravenhage en Wassenaar gefusilleerd zijn. |
|
Rapport 30 maart 1946 door rijksrechercheur 1e klasse A. Odding. Ronduit verbijsterend, op wiens instigatie A. Odding dit rapport heeft gemanipuleerd vermag ik niet te zeggen, voor mij is het ook niet mogelijk te achterhalen wie rechercheur Odding was.De manipulatie zal duidelijk blijken uit het hierna volgend overzicht. |
|
______________________________________________________________________________
Het rapport dateert van 30 maart 1946. Één vergissing is mogelijk, echter een
vijfvoudige vergissing wordt bewust gecreëerd, alleen de dood van J. Tromp
is gemeld op 8 maart 1945 op de lijst, de vijf
anderen op 31 maart 1945 , 23 dagen na hun
werkelijke dood, vijf van de elf slachtoffers worden in zijn geheel niet
vermeld. |
|
Wie of wat rechercheur Odding heeft bewogen
zijn rapport dusdanig samen te stellen, kan ik alleen vermoeden. |
|
Hieruit vloeit voort, dat hoofdcommissaris Valken voor zijn verdediging niets heeft aan zijn relaas over de 11 z.g. plunderaars en misdadigers door Munt gefusilleerd, want immers uit het rapport Odding blijkt, dat vijf slachtoffers niet vermeld zijn en vijf anderen op 31 maart 1945 gefusilleerd zijn en derhalve niet zijn terug te voeren op het Pvb van Valken 8 October 1945 over Munt's daden van 7 -/- 8 maart 1945. |
|
Welk belang zou de commissie daarmee kunnen dienen, ogenschijnlijk geen, tenzij men bekend is met het dagboek van de SD-er Munt, "Mein
Ausschnitt Sicherheitspolizei in Den Haag 1942 – 1947" |
|
Een met de hand geschreven dagboek, waarin de
voorkomende personen in code zijn benoemd. "Tätigkeitsbericht des Kriminalkommissars J.H.L. Munt" een 41 blz. grote opsomming over feiten zoals
Munt die wenste te zien. Ook al zijn er vele zaken ten gunste van Munt
gekleurd omschreven en nogal sentimenteel naar zich zelf toegeschreven, |
|
Munt hield tot ver in de bezetting zoals hij ze noemde vergaderingen/bijeenkomsten, dit waren volgens hem overleggen waarbij een ieder vrijelijk zijn eigen mening kon geven, echter bovenal zag hij graag "gebildete Leute", mensen van aanzien, advocaten, rechters, doktoren, ingenieurs, tandartsen, bestuurders, enz. enz., besproken werd de dagelijkse terreur toestand van het verzet, door Munt werd dit altijd in samenhang met het uitstekende systeem van het Nationaal Socialisme vertaald. |
|
Wie waren daar veelvuldig aanwezig: |
| geeft Munt weer: Mr. van Dal vond dat alle plunderaars door Munt mochten worden doodgeschoten. Aktivisten uit de Illegalität, hier doelde Munt op zijn vriendenclubje Mr. Stapel, Mr. J. van Dal, Prof. Mr de Blok, Mr. de Boer en Ds. Kuiper en vele andere gewichtige personen uit dezelfde club, zij dachten in deze gelijkwaardig. In het Tätigkeitsbericht barst het zowat van namen van uiterst gewichtige lieden. |
|
17/12-1945 komen Mr. van Dal en twee juristen bij Munt op
bezoek in de gevangenis, Munt en van Dal krijgen de kans elkaar onder vier
ogen te spreken, hier tekent Munt op dat van Dal zegt: "niets meer voor Munt
te kunnen doen, indien hij dat wel zou doen, hij zelf in de gevangenis zou
belanden" Mr. van Dal had inmiddels kennelijk bemoeienis met de berechting van Seyss-Inquart in Nürnberg en wenste van Munt hieromtrent nadere gegevens. |
| Zelfs zuiveringscommissielid commissaris Voordewind dient tegen Valken te getuigen als het aan Munt ligt, hoe Voordewind daar zelf over dacht valt in een schrijven 19 febr. 1947 van Mr. Bijl, Hoofdbureau BOOM, aan de Minister van Justitie, te lezen. |
| Kan men lezen hoe verheven Munt zichzelf zag, Sanders (BNV) en consorten houden berichten tegen van Munt aan Hare Majestät die Königin zodat de Koningin op dat moment nog steeds geen weet heeft dat: dass ein "Weldoener van 's-Gravenhage" al 15 maanden gevangen zit. |
|
Op het doodschieten van plunderaars kwam ik omdat destijds de
Nederlandse volksmening sterk tegen deze Profiteurs van de Nood ageerde. Dat de nood door Munt zelf en zijn Nazi gespuis is veroorzaakt, is kennelijk bijzaak. De Nederlandse volksmening bestond echter alleen uit de veel door hem geprezen Aktivisten der Niederländischen Illegalität, advocaten, dominees enz. enz. het inmiddels bekende rijtje van gebildete Leute waar hij zo'n bijzonder goed wederzijds contact mee onderhield. Echte Getrouwe Nederlanders hadden niet echt behoefte meningen met Munt te delen. |
|
Wie en wat waren de Advocaten en de Ds. |
|
Mr. H. de Boer |
|
Mr. Ragnhild Stapel |
|
Mr. A.J.M. van Dal |
|
Prof.Mr.A.L. de Blok |
|
Ds. J.C.J. Kuiper |
|
Na de bevrijding waren zij maar al te graag bereid om van de toren te blazen, hoe goed hun Illegaliteitsaktiviteiten wel waren geweest. Vergeefs heb ik naar hen gezocht bij verzetsmusea e.d., deze groep en gelijkgezinden hebben bij diverse instanties verdedigingsbrieven ingediend ten gunste van Munt en zelfs zijn zulk soort brieven aan aanklager Mr. J. Zaaier gezonden, ongetwijfeld zal dit laatste Mr. Versteeg ter loops ter ore gekomen zijn. |
|
Munt was zwaar teleurgesteld, zit z.i.
onterecht al veel te lang in het gevang en de vele Prominente
Illegaliteitsvrienden zetten zich niet ruimschoots, als afgesproken, voor
hem in. |
|
Verzetsstrijder Peter Noord (Hordijk) gewestelijk commandant van de BS noemde de "verzetsgeest in Den Haag 'volkomen rot' ". (Dr. L. de Jong, deel 10b, blz.729) |
|
Wat is het belang van voorzitter Versteeg, |
|
Zeggen wil ik hier niet mee, dat Mr. Versteeg doelbewust de zuiveringscommissie een bepaalde richting in stuurde, maar meer, dat hij van buiten de commissie zaken aangedragen kreeg, die een vermoeden in bepaalde richting sterk bevorderde en dat degene die daar belang bij hadden dichter in zijn omgeving aanwezig waren, zonder hiervan kennis te hebben. |
|
Als Procureur-Generaal bij het gerechtshof
Den Haag stonden Mr. J. Versteeg, uit hoofde van zijn functie, vele zeer
betrouwbare bronnen en mogelijkheden ter beschikking, des ondanks neemt hij
de beschuldigingen van de SD-er Munt t.o.v. Valken kennelijk als betrouwbaar
aan, i.p.v. juist deze beschuldigingen op
betrouwbaarheid te verifiëren. |
|
Omstreeks
21 aug. 1946 brengt de commissie aan
de Minister van Justitie rapport uit van zijn bevindingen en het oordeel,
zij vinden dat Valken berispt dient te worden en vinden dat hij te kort is
geschoten ter zake van de juiste houding in verband met de bezetting, dit
nog gevolgd door een tweede negatief advies aan de Comm. v.d. Koningin
Zuid-Holland
24 dec. 1946. |
|
De Minister van Justitie is kennelijk een
andere mening dan de commissie toegedaan, heeft waarschijnlijk de vele
bijval ten gunste van Valken ingezien, ook die van Verzetsstrijder P.W.
Hordijk (schuilnaam Peter-Noord)
5 okt. 1946. In mijn ogen was Hoofdcommissaris G.W. Valken een op en top correcte politieman, die met gevoel voor prioriteiten zijn politiewerk tijdens de moeilijkste periode van de bezetting verrichtte, AdJ. |
|
Dit betekende echter niet, dat Valken zich
verder volledig kon concentreren op zijn functie, het organiseren en in
goede banen leiden van de door de oorlog geteisterde Gemeente Politie
's-Gravenhage, verre van dat, bij voortduring werd er aan zijn stoelpoten
geknaagd. |
|
Minister van Binnenlandse Zaken aan Minister
van Justitie
's-Gravenhage oktober 1951. |
|
Of Hoofdcommissaris Valken in zijn functie goed functioneerde kan en wens ik niet te beoordelen, de tijd na de bevrijding zal ongetwijfeld voor een ieder zeer uitputtend geweest zijn, echter het mede als ontslagmotivatie gebruiken van de gebezigde conclusie van de Commissie Mr. J. Versteegh doet vermoeden, dat aan het ontslag niet alleen zijn functioneren ten grondslag lag, doch minstens dubieuze beoordelingen dit ten sterkste hebben bevorderd. |
|
Uit alles wat mij over Hoofdcommissaris G. W.
Valken onder ogen is gekomen kan ik niet anders opmaken dan dat hij op een
zeker moment, ware hij nog in fuctie geweest, de zaak Munt zeker aan het
licht zou hebben gebracht, niet alleen om de 11 door Munt vermoorde
slachtoffers, maar juist om de dubieuze beschuldiging van het door hem
uitleveren aan de SDer Munt van Nederlandse verdachten, die vervolgens door
Munt misbruikt werden voor represailles. |
|
Hiermee besluit ik het deel over Hoofdcommissaris G.W. Valken. |
|
|
|
Burgemeester Mr. Dr. S.J.R. de Monchy van Den Haag geeft gemeentearchivaris Dr. W. Moll na de bevrijding opdracht tot het doen samenstellen van een boek over Den Haag in de Tweede Wereldoorlog. De reden waarom Dr. Moll deze opdracht niet heeft voltooid is mij onbekend. |
|
Rond 1990 komt van B&W Den Haag de wens dit
werk alsnog te voltooien, er wordt een sollicitatieprocedure in werking
gesteld en Bart Erik van der Boom verkrijgt de opdracht en wenst deze
opdracht te gebruiken om te promoveren aan de Rijksuniversiteit te Leiden. |
|
Universiteit Leiden, op 26 april 1995 overhandigde van der Boom, na afloop van zijn verdediging, zijn dissertatie, via de gemeentearchivaris, aan burgemeester Havermans van Den Haag "Den Haag in de Tweede Wereldoorlog" |
|
Daar mijn onderzoek naar wat er werkelijk had
plaatsgevonden met mijn Vader was gestart in 1994 bij het Ministerie van
Justitie CABR archief (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging),
attendeerden enkele ambtenaren mij op de op handen zijnde promotie. |
|
N.B. De SD-er J.H.L. Munt wordt (af)geschilderd als een nogal brave goedwillende Duitse kommissaris van Politie, en mijn Vader en zijn tien medeslachtoffers zijn plotseling "plunderaars en misdadigers" en dit lees ik dan in een door de Gemeente Den Haag en de Rijksuniversiteit Leiden gefinancierd wetenschappelijk onderzoek. |
|
Dr. L. de Jong en Dr. A.E. Cohen hebben met een uitgebreide staf onderzoek gedaan naar de z.g. aanslag op Rauter en de gevolgen, Hoofdcommissaris G.W. Valken heeft aan den lijve ondervonden en gerapporteerd in zijn PV. over Munt, zij allen hebben het over de "z.g. plunderaars en misdadigers" |
|
In het wetenschappelijk onderzoek van B. v.d. Boom worden de feiten verdraaid en heet het zonder nader onderzoek "de aanslag op Rauter en 11 plunderaars en misdadigers", daar de bronnen die v.d. Boom vermeld dezelfde zijn als die ik in mijn bezit heb uit het CABR archief van het Ministerie van Justitie en andere relevante archieven en deze bronnen een geheel andere toedracht weergeven, besluit ik tot een gedegen onderzoek naar de werkelijkheid. |
|
Tot het moment, dat ik B. v.d. Boom's boek onder ogen kreeg, was ik reeds bekend met de feiten, die plaats hadden gevonden en de publikaties met het voorvoegsel "z.g.", ik had er vrede mee, omdat dit aangaf dat " plunderaars en misdadigers " door Munt misbruikte aanleidingen waren, waar door mij op het voorvoegsel (z.g.) redelijker wijze niets op aan te merken was en door mij ook niet als grievend is ervaren. |
|
Wat was dan de reden dat v.d. Boom tot zulke conclusies was gekomen |
|
Ondanks dat hij a.h.w. op het vuur zit, beperkt hij zijn onderzoek in deze tot de archieven van de Gemeente Den Haag, RIOD en het CABR archief Ministerie van Justitie en laat het BOOM-archief en het UNWCC-archief in het ARA Den Haag geheel terzijde, ondanks dat hij erop gewezen was door ambtenaren van Justitie. |
|
Het originele document Munt 9 maart 1945, kende BvdB. niet. Het is hem door mij toegezonden met mijn bezwaar ten opzichte van zijn dissertatie. |
|
Als wetenschapper moet hem bekend zijn
geweest, dat er mogelijk processen-verbaal waren opgemaakt, commissaris
Valken laat dit blijken in zijn Pvb contra Munt. |
|
Indien v.d. Boom werkelijk wetenschappelijk
onderzoek had verricht, zou hij niet achterwege hebben gelaten om in het ARA
BOOM en UNWCC archief Munt te onderzoeken. I.p.v. bijna
letterlijk de teksten van Munt te volgen. |
|
Het is BvdB. kwalijk te nemen, dat hij dit als wetenschapper achterwege gelaten heeft en als vanzelf aangenomen heeft, dat alle represailles door Munt uitgevoerd identiek plaats vonden. Juist omdat in de ARA archieven van vele stukken Originele documenten te vinden zijn, voorzien van opmerkingen en aanwijzingen, die niet zijn terug te vinden op de stukken in het CABR archief, waar in de vele afschriften een vertekend beeld is weergegeven door de afwezigheid van aantekeningen enz. zoals op en bij deze originele documenten. |
|
Ter vergelijking voeg ik hier voor U toe het afschrift van de veroordeling van Munt 8 maart 1945, zoals dat in het CABR archief bij het Min. van Justitie te vinden was, geen enkele aantekening of opmerking te vinden. |
|
Het was zelfs zo, dat in het CABR archief op
Justitie de afschriften van de 8 genoemde Pvb niet aanwezig waren, zij zijn
mij door het ARA (Plantiga) uit het BOOM archief nagezonden. |
|
Hoofdstuk VII "TERREUR" blz. 227 van de dissertatie. |
|
______________________________________________________________________________ |
|
Wie mag dit bewijzen,
bron 41, hoofdstuk VII blz. 278, |
|
********** B vd B geeft in een sterk verkorte en vervormde versie weer wat op 7-/-8 maart 1945 heeft plaatsgevonden, commissaris Valken komt er alleen in principiële vorm in voor, het door Valken in zijn p.v. contra Munt aangeven dat van de z.g. verdachten (Plunderaars) "geenszins vaststond dat het hen ten laste gelegde door hen gepleegd was". is voor BvdB blz. 228 kennelijk van ondergeschikt belang, en betekeningsloos. Commissaris Valken dient als bron 52 , hoofdstuk VII blz. 278, Vermeld door BvdB is alleen, dat dit een verklaring is, dat deze verklaring 27/10-47 onderdeel is van het Pvb 8/10-1945 contra Munt, vermeld BvdB niet, in het dossier W.H. Fransen zijn beide stukken aan elkaar geniet, zelf heb ik ze in handen gehad en copieën gekregen. Verklaring Munt 16/5-1947, Is het 108 pag. p.v. over Munt, ook daarin komt naar voren de mogelijke onschuld van de 11 slachtoffers. ********** Dominant laat BvdB Munt via zijn verklaringen en het dagboek "Mein Auschnitt Sicherheitspolizei in Den Haag" het hoofdstuk "Terreur" in beeld brengen. Op een wel zeer eenzijdige wijze is het beeld bepaald door de Nationaal Socialistische wijze, die Munt vertaalde. Geen enkele kritiek van BvdB, ondanks dat de vele Pvb over Munt en consorten een totaal andere werkelijkheid naar voren brachten. Titel pag. enz.+ blz. 227-228-229 en blz.278 bronnen 41 t.e.m. 54 Dr. L. de Jong geeft op blz. 379 en 380 deel 10b een ander soort Munt weer. ______________________________________________________________________________ |
|
De onderzoeken van Bart E. vd Boom hebben
veel weg van een soort journalistiek die spektakelverhalen een groter belang
toedichten dan wetenschappelijk achterhaalde feiten en werkelijkheden
afkomstig uit officiële dossierstukken. |
|
In mei 1996 dien ik mijn bezwaar in aan B&W
Den Haag als zijnde medeopdrachtgever en tevens aan de auteur Bart Erik van
der Boom te Amsterdam over zijn dissertatie, "Den Haag in de Tweede
Wereldoorlog" |
|
Na wat verwikkelingen met een aantal
onwillige gemeenteambtenaren worden mijn vrouw en ik persoonlijk door
burgemeester
Deetman 26 nov. 1997 uitgenodigd in
het bijzijn van gemeente archivaris Maarschalkerweerd. |
|
Wel kwamen we overeen, op voorstel van
Deetman, dat genoemd onderzoek plus bijlagen en een voorwoord van mij door
het gemeente archief zal worden gebundeld en in de bibliotheek van het
archief gekoppeld aan de dissertatie van BvdB zal worden opgenomen. |
|
De auteur Bart Erik van der Boom reageerde op
een nogal hooghartige arrogante wijze in een
4 blz. 4-6-1996
schriftelijk antwoord, omdat ik de moeite had genomen hem te schrijven. |
|
______________________________________________________________________________
Dat Mijn Vader, Vet en Koernab " zouden zijn
heengezonden is voor BvdB geen |
|
Bart E. van der Boom geeft er blijk van, niet
tegen gefundeerde kritiek te kunnen en gebruikt drogredenen en uitvluchten
om deze kritiek te pareren. |
|
Mijn verwachtingen over een reactie van Bart E. van der Boom zijn teleurgesteld, ik had er echter al rekening mee gehouden, mede doordat hij bij het Justitiearchief al behoorlijk zijn arrogantie had laten blijken, aldus medewerkers destijds aldaar. |
|
Wat B&W Den Haag heeft bewogen de opdracht aan BvdB te gunnen is mij een groot ?, vd Boom was pas kort hiervoor afgestudeerd (Amerikanistiek) te Amsterdam, om vrijwel aansluitend hierop een promotie studie over Den Haag in de t.w. oorlog te voltooien. |
|
Het komt mij voor, dat voor zo'n zwaar gegeven in een stad als Den Haag, waar de gehele Nazi bevelsstruktuur geconcentreerd aanwezig was, niet alleen studieresultaten, doch tevens een rijke ervaring aan deskundig inzicht over deze zeer moeilijke periode noodzakelijk dient te zijn, zaken die op 30 jarige leeftijd alleen al hierdoor nauwelijks aanwezig kunnen zijn. |
|
|
|
Het verleden, zoals hiervoor beschreven, komt een
buitenstaander als ongeloofwaardig voor, men ziet zowat dat het waarheids
gehalte betwijfeld wordt, al gauw denkt men, die heeft een rijke fantasie,
die probeert iets beter voor te doen dan de werkelijkheid, omdat zijn Vader
er in betrokken is. |
|
|
Hoorn, mei 2004. |
|
|
Graag geef ik dit onderzoek een opdracht mee, |
|